Hoe vind je het onderwerp in een zin?

Het onderwerp van de zin zoek je nadat je de persoonsvorm hebt gevonden. In dit artikel laten we je twee makkelijke manieren zien om het onderwerp te vinden.

Wat is het onderwerp?

Het onderwerp van de zin vertelt wie of wat iets doet. Het wordt ook wel ‘subject’ genoemd. Soms bestaat een onderwerp uit één woord, maar soms ook uit meerdere woorden.

Bekijk ook:

Bijvoorbeeld:

  • Hanna heeft chips gegeten

Wie of wat doet hier iets? Dat is Hanna. ‘Hanna’ is dus het onderwerp van de zin.

  • Hanna en haar broertje Cas hebben chips gegeten.

Wie of wat doet hier iets? Dat zijn Hanna en Cas. ‘Hanna en haar broertje Cas’ is dus van deze zin het onderwerp. In het laatste voorbeeld zie je dat een onderwerp soms best lang is.

wat is het onderwerp

Het onderwerp herkennen

Dat is allemaal leuk en aardig, maar hoe herken je een onderwerp nou eigenlijk? Het onderwerp van de zin doet dus altijd iets. Dat is één kenmerk van dit zinsdeel.

Daarnaast vind je het onderwerp heel vaak vooraan in de zin. Let op: dit is niet altijd zo! Soms staat het onderwerp wat verder weg. Kijk maar eens naar de volgende voorbeeldzinnen:

  • Raf schaatst graag in de winter.
  • In de winter gaat Raf vaak schaatsen.

Hier zie je dat het te makkelijk is om er maar vanuit te gaan dat het eerste stukje van de zin het onderwerp is. Degene die in beide zinnen iets doet, is Raf. ‘Raf’ is dus ook in allebei de zinnen het onderwerp.

Hoe vind je het onderwerp? Twee manieren

Het onderwerp van de zin zoek je nadat je de persoonsvorm hebt gevonden. Gelukkig zijn er een paar goede manieren om het onderwerp te vinden. En het is niet eens moeilijk!

onderwerp vinden manieren

Manier 1: Stel de vraag ‘Wie/wat + persoonsvorm?’

Eigenlijk hebben we de eerste manier al verklapt. Je gaat op zoek naar wie of wat iets doet in de zin.

Bijvoorbeeld:

  • Maartje bakt graag koekjes.

Wie of wat bakt? Maartje doet dat. Het onderwerp van deze zin is dus ‘Maartje’. Niet zo moeilijk, toch? Als je goed naar die vraag kijkt, valt je misschien iets op. Als je het onderwerp van een zin wilt vinden, vraag je altijd: ‘Wie of wat + persoonsvorm?’ Over de persoonsvorm kun je hier (link naar artikel over pv) meer informatie vinden.

Nog een voorbeeld:

  • Gisteren bakten mijn zusje en ik pizza’s.

Stel nu de vraag: ‘Wie/wat + persoonsvorm?’
Voor deze zin wordt dat: Wie of wat bakten?

Het antwoord op deze vraag is: mijn zusje en ik. ‘Mijn zusje en ik’ is dus het onderwerp van de zin. Kun jij met deze truc de onderwerpen van de volgende zinnen vinden? De antwoorden staan onder deze zinnen.

  • In de tuin plast de hond van de buren nooit.
  • Margje geeft haar oma een bos bloemen.
  • Op school werken de kinderen hard.

Antwoorden:

  • Wie of wat plast? De hond van de buren.
    Het onderwerp van deze zin is dus: ‘de hond van de buren’.
  • Wie of wat geeft? Margje.
    Het onderwerp is dus: ‘Margje’.
  • Wie of wat werken? De kinderen.
    Het onderwerp is dus: ‘de kinderen’.

Manier 2: Maak de zin vragend

Er is nog een tweede manier om het onderwerp te vinden. Als je namelijk de zin vragend maakt, staat het onderwerp achter de persoonsvorm.

Kijk maar eens naar deze zin:

  • Mees slaapt in zijn boomhut.

Maak nu de zin vragend.

  • Slaapt Mees in zijn boomhut?

Je ziet dat ‘Mees’ meteen achter de persoonsvorm staat.
‘Mees’ is dus het onderwerp van deze zin.

Nog een voorbeeld:

  • Mijn ouders verven de muur.

Verander dat naar:

  • Verven mijn ouders de muur.

Het stukje ‘mijn ouders’ staat achter de persoonsvorm. ‘Mijn ouders’ is dus het onderwerp.

Hoe vind je het onderwerp in een vraagzin?

onderwerp vraagzin

Je snapt nu hoe je een onderwerp kunt vinden in een zin. Maar hoe zit dat eigenlijk in een vraagzin? Dat is niet zo moeilijk. Je kunt bij een vraagzin altijd de vraag ‘wie of wat + persoonsvorm?’ stellen. Let maar eens op:

  • Komen Maud en Filiz morgen spelen?

Wie of wat komen? Het antwoord is ‘Maud en Filiz’. ‘Maud en Filiz is dus het onderwerp van de zin. Ook de truc van de vraagzin kun je gebruiken. Het stukje dat na de persoonsvorm komt, is je onderwerp.

Bijvoorbeeld:

  • Repareert je buurman graag computers?

Na de persoonsvorm staat ‘je buurman’. Dat is dus het onderwerp.

Ook als de zin begint met een vraagwoord, zoals ‘Waar’ of ‘Wanneer’ kijk je welk stukje achter de persoonsvorm staat.

Bijvoorbeeld:

  • Waar volg jij schilderles?

Achter de persoonsvorm staat ‘jij’. Dat is dus het onderwerp.

En als je twijfelt, vraag je gewoon voor de zekerheid: wie of wat volgt? Het antwoord is: ‘jij’. Dan weet je dus zeker dat ‘jij’ het onderwerp van de zin is.

Nu een lastige. Stel nou dat de zin met ‘Wie’ begint.

Bijvoorbeeld:

  • Wie maakt de lekkerste cupcakes?

Bij een zin die met ‘Wie’ begint, mag je de vraagzinregel niet gebruiken. Die klopt hier namelijk niet.

Kijk maar eens wat er achter de persoonsvorm ‘maakt’ staat. Dat is: ‘de lekkerste cupcakes’. Maar doen die cupcakes wat? Maken die iets? Nee. Dan zijn ze dus niet het onderwerp. Wat doe je dan wel? Je gebruikt de vraag: ‘Wie of wat + persoonsvorm?’ Voor deze zin wordt dat: Wie maakt? Het antwoord is er eigenlijk niet. Want we weten nog niet wie maakt. In dat geval is ‘Wie’ het onderwerp van de zin.

Hoe kun je dat testen? Door ‘Wie’ te vervangen door een naam, bijvoorbeeld: ‘Cato’. Dan wordt dit de zin:

  • Cato maakt de lekkerste cupcakes.

Deze zin is niet zo moeilijk. Wie maakt? Dat is Cato. ‘Cato’ zou dus het onderwerp zijn. Dat betekent dat ‘Wie’ óók het onderwerp van de eerste zin is.

Werkblad persoonsvorm en onderwerp

En dan is het nu tijd om te oefenen. Kun jij van de volgende zinnen vertellen wat de persoonsvorm en het onderwerp is? Gebruik de trucjes die jij het prettigst vindt. De antwoorden staan onderaan de pagina.

Opdrachten

  1. Lies en Rob wonen in dezelfde straat.
  2. Persoonsvorm:
  3. Onderwerp:
  1. Morgen gaat de hele klas een ijsje eten.
  2. Persoonsvorm:
  3. Onderwerp:
  1. Waar vind ik de hondenbrokken?
  2. Persoonsvorm:
  3. Onderwerp:
  1. De taart is erg lekker.
  2. Persoonsvorm:
  3. Onderwerp:
  1. In zijn schrift heeft Harun veel mooie tekeningen gemaakt.
  2. Persoonsvorm:
  3. Onderwerp:
  1. Wie heeft alle kaasstengels opgegeten?
  2. Persoonsvorm:
  3. Onderwerp:
  1. Het paard staat vrolijk in de wei.
  2. Persoonsvorm:
  3. Onderwerp:
  1. Help je me even mee?
  2. Persoonsvorm:
  3. Onderwerp:
  1. Welke snoepjes vind jij het lekkerst?
  2. Persoonsvorm:
  3. Onderwerp:
  1. Wie heeft alle antwoorden gevonden?
  2. Persoonsvorm:
  3. Onderwerp:

Antwoorden

  1. Persoonsvorm: wonen
    Onderwerp: Lies en Rob
  2. Persoonsvorm: gaat
    Onderwerp: de hele klas
  3. Persoonsvorm: vind
    Onderwerp: ik
  4. Persoonsvorm: is
    Onderwerp: De taart
  5. Persoonsvorm: heeft
    Onderwerp: Harun
  6. Persoonsvorm: heeft
    Onderwerp: Wie
  7. Persoonsvorm: staat
    Onderwerp: Het paard
  8. Persoonsvorm: Help
    Onderwerp: je
  9. Persoonsvorm: vind
    Onderwerp: jij
  10. Persoonsvorm: heeft
    Onderwerp: Wie

Heb je alle vragen goed beantwoord? Geweldig! Jij snapt hoe het werkt met de persoonsvorm en het onderwerp van de zin. Heb je nog wat foutjes gemaakt? Dat is helemaal niet erg. Kijk dan eens terug naar de informatie over de persoonsvorm en het onderwerp.

Bekijk ook:

Maaike de Boer

drs. Maaike de Boer is initiatiefneemster van Wijzeroverdebasisschool.nl

Gerelateerde artikelen

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *