Wat is een persoonlijk voornaamwoord? Uitleg en 3 vragen beantwoord!

Een persoonlijk voornaamwoord is onderdeel van het taalkundig ontleden. Hij verwijst direct naar een mens, dier of voorwerp. Het persoonlijk voornaamwoord staat op de plaats van het zelfstandige naamwoord dat hij vervangt.

Ook bij begrijpend lezen is het handig om te weten wat persoonlijke voornaamwoorden zijn.

Voorbeelden zijn: ik, jij, zij en het. Hier zie je hoe het persoonlijk voornaamwoord een zelfstandig naamwoord vervangt:

~ Pieter heeft bitterballen besteld.
wordt:
~ Hij heeft bitterballen besteld.
of zelfs:
~ Hij heeft ze besteld.

Alle dikgedrukte woorden zijn persoonlijke voornaamwoorden.

Bekijk ook:

Betekenis persoonlijk voornaamwoord

Als je de naam ‘persoonlijk voornaamwoord’ bekijkt, kun je al zien dat dit woord heel vaak verwijst naar een persoon.

In deze zinnen is dat ook het geval:

~ Zij hebben een kerstdiner gemaakt.
~ Doe jij de deur even dicht?
~ Heeft hij haar wel gezien?

Toch kan een persoonlijk voornaamwoord ook op andere dingen slaan dan mensen. Bijvoorbeeld op dieren of dingen:

~ De hond is gaan liggen. Hij is moe.
~ De buren hebben hun grote kast verkocht. Hij stond in de weg.

Aan het woord ‘voornaamwoord’ kun je eigenlijk al zien dat een persoonlijk voornaamwoord naar mensen, dieren of dingen verwijst. Dat doen namelijk alle voornaamwoorden.

Kijk hieronder voor uitleg over verwijswoorden:

De afkorting: pers. vnw.

Als je een zin gaat ontleden, is het nogal vervelend als je steeds ‘persoonlijk voornaamwoord’ helemaal uit moet schrijven. Vaak past dat niet eens op je papier. Daarom mag je ook een afkorting gebruiken. De meest voorkomende afkorting is ‘pers. vnw‘.

Misschien hoef je op jouw school de afkorting niet te gebruiken, maar geef je het persoonlijk voornaamwoord met een kleurtje of symbool aan. Dat is ook helemaal prima! Het gaat er vooral om dat jij deze woordsoort goed herkent.

Hoe vind je het persoonlijk voornaamwoord?

Voor het vinden van het persoonlijk voornaamwoord zijn niet superveel trucjes. Het belangrijkste is dat je de rijtjes uit je hoofd kent die verderop in het artikel staan. Soms is het heel makkelijk om een persoonlijk voornaamwoord te herkennen. Bijvoorbeeld bij de woorden ‘ik’ en ‘hij’. Dat zijn namelijk altijd persoonlijke voornaamwoorden.

Bij andere persoonlijke voornaamwoorden is het wat lastiger. Denk maar aan het woord ‘het’. ‘Het’ kan ook een lidwoord zijn, of een onbepaald voornaamwoord.

Kijk maar eens naar dit voorbeeld:

~ Het schaap staat in de wei. Daar graast het de hele dag.

De eerste ‘Het’ (vooraan) is een bepaald lidwoord. Hij staat namelijk voor een zelfstandig naamwoord waar hij bij hoort.

De tweede ‘het’ is geen lidwoord. Die hoort niet bij een zelfstandig naamwoord. Deze ‘het’ kun je vervangen door ‘het schaap’. Het woord ‘het’ verwijst hier dus naar een dier. Het is een persoonlijk voornaamwoord.

Soms is het slim om de andere opties uit te sluiten. Als het geen andere woordsoort is, moet het wel een persoonlijk voornaamwoord zijn. Vraag je wel altijd eerst af tot welke woordsoorten dat woord kan behoren, anders ben je wel heel lang bezig.

Hoe vind je het persoonlijk voornaamwoord

Het rijtje ik, jij, hij, zij

Er bestaan heel wat persoonlijke voornaamwoorden. Laten we de hele groep daarom in tweeën splitsen.

We beginnen bij de makkelijkste rij. Dat zijn de persoonlijke voornaamwoorden die het onderwerp van de zin zijn. Daarom worden ze ook wel de onderwerpsvorm genoemd. De bekendste van dit rijtje zijn ‘ik’, ‘jij’, ‘hij’ en ‘zij’.

Voordat we ze allemaal op een rijtje zetten, geven we je wat voorbeelden. Het persoonlijk voornaamwoord is steeds dik gedrukt. Zie je dat de persoonlijke voornaamwoorden in deze zinnen het onderwerp zijn?

~ Hij is dol op spruitjes.
~ Jullie hebben geluk gehad.
~ We zijn naar een gaaf pretpark geweest.
~ Zij werken graag hard.

Dan volgt nu het volledige rijtje persoonlijke voornaamwoorden in de onderwerpsvorm:

persoonlijk voornaamwoord pers.vnw.

Alle persoonlijke voornaamwoorden op een rijtje

We breiden nu de tabel verder uit. Want naast het onderwerp zijn er nog een andere zinsdelen waar het persoonlijk voornaamwoord in voor kan komen: het lijdend voorwerp (link) en het meewerkend voorwerp (link). Daarom noemen we deze woorden persoonlijke voornaamwoorden in de voorwerpsvorm.

We geven eerst weer wat voorbeelden:

~ Katie heeft mij een mooi cadeau gegeven.
~ Dennis heeft hem niet gezien.
~ De jongen is altijd bij hen.
~ Pablo geeft hun een bloemetje.

Het volledige overzicht van persoonlijke voornaamwoorden ziet er dan zo uit:

Alle persoonlijke voornaamwoorden

Let op: het persoonlijk voornaamwoord ‘hun’ kan nooit een onderwerp zijn. Je kunt dus niet zeggen:

~ Hun hebben dat gedaan. (fout)
In plaats daarvan gebruik je het persoonlijk voornaamwoord ‘zij’:
~ Zij hebben dat gedaan.

Nu volgen 3 veelgestelde vragen die we voor je beantwoorden.

Vraag 1: Wanneer gebruik je ‘hun’ en ‘hen’

Het juiste gebruik van ‘hun’ en ‘hen’ is aardig ingewikkeld.

Het persoonlijk voornaamwoord ‘hen’ gebruik je altijd…

• na een voorzetsel;
• als het een lijdend voorwerp is.

Bijvoorbeeld:

~ Junis is bij hen geweest. (na het voorzetsel ‘bij’)
~ De politie heeft hen afgeluisterd. (hier is ‘hen’ een lijdend voorwerp)

Het persoonlijk voornaamwoord ‘hun’ gebruik je…

• als het een meewerkend voorwerp zonder voorzetsel is.

Bijvoorbeeld:

~ Frenkie heeft hun een cadeautje gegeven. (hier is ‘hun’ een meewerkend voorwerp)

Onthoud dat je meestal een uitweg hebt als je niet weet of je ‘hun’ of ‘hen’ moet schrijven. Gebruik dan gewoon het persoonlijk voornaamwoord ‘ze’ ervoor in de plaats.

Vraag 2: Is ‘mijn’ een persoonlijk voornaamwoord?

Vaak vragen mensen zich af of het woord ‘mijn’ ook een persoonlijk voornaamwoord kan zijn. Het antwoord op die vraag is nee.

Je ziet natuurlijk al in de tabel dat ‘mijn’ daar niet in staat. Dat komt omdat ‘mijn’ aangeeft van wie iets is. Het is dus een bezittelijk voornaamwoord (link).

Kijk maar:

~ Dat is mijn tas.

Door het woordje ‘mijn’ wordt duidelijk van wie de tas is.

Op de plaats waar ‘mij’ staat in een zin, kun je dat woord niet zomaar vervangen door ‘mijn’. Ook daaruit kun je opmaken dat het twee aparte woordsoorten zijn.

Vraag 3: Wanneer is het woord ‘het’ een persoonlijk voornaamwoord

Eerder in dit artikel gaven we al aan dat ‘het’ best een lastig woord is. Het kan een persoonlijk voornaamwoord zijn, maar ook een lidwoord of een onbepaald voornaamwoord.

Als je wilt weten of ‘het’ een persoonlijk voornaamwoord is, moet je altijd eerst naar de rest van de zin kijken. Staat ‘het’ direct voor een zelfstandig naamwoord en hoort het daarbij? Dan is het een lidwoord.

Als ‘het’ niet bij een zelfstandig naamwoord hoort, kan het een persoonlijk voornaamwoord zijn. Controleer altijd of je ‘het’ kan vervangen door een zelfstandig naamwoord.

Bijvoorbeeld:

~ Het muurtje is al oud. Daarom moet het geschilderd worden.

De cursief/dik gedrukte ‘het’ hoort bij het woord ‘muurtje’. Daarom is het een lidwoord.
De dik gedrukte ‘het’ hoort niet bij een zelfstandig naamwoord. Je kunt ‘het’ hier vervangen door ‘het muurtje’. Daarom is de dik gedrukte ‘het’ een persoonlijk voornaamwoord.

Je ziet dat het persoonlijk voornaamwoord ‘het’ regelmatig terug verwijst naar iets wat eerder in de zin stond. Dat is in dit voorbeeld ook het geval.

Als ‘het’ een onbepaald voornaamwoord is, kun je het niet vervangen door een zelfstandig naamwoord. Een voorbeeld:

~ Het regent.

In deze zin is ‘Het’ een onbepaald voornaamwoord.

Persoonlijk voornaamwoord oefenen

Als je het persoonlijk voornaamwoord goed onder de knie wilt krijgen, is het belangrijk dat je goed oefent. Maak daarom regelmatig een opdracht en kijk hem goed na. Probeer ook te achterhalen waarom bepaalde antwoorden niet goed waren en wat dan wel de juiste waren. Pas dan leer je goed hoe je alle persoonlijke voornaamwoorden herkent.

Hieronder vind je een werkblad waarmee je het persoonlijk voornaamwoord goed oefent. Veel succes! En heb je vragen? Laat het ons dan weten. Wij helpen je graag!

Werkblad persoonlijk voornaamwoord

Opdracht 1

Schrijf het persoonlijk voornaamwoord op. In iedere zin staat er één.

  1. 1. Ik ga bij Hanne spelen.

pers. vnw.: _

  1. 2. Zij is een lief meisje.

pers. vnw.: _

  1. 3. Heeft Camiel hen gezien?

pers. vnw.: _

  1. 4. Die jongen heeft mij geholpen.

pers. vnw.: _

  1. 5. Waar halen zij dit jaar hun kerstboom vandaan?

pers. vnw.: _

Opdracht 2

Schrijf het persoonlijk voornaamwoord op. Er kunnen meerdere persoonlijke voornaamwoorden in de zin zitten. Soms zit er geen in.

  1. 1. Heb jij hem al eens eerder gezien?

pers. vnw.: ______________

  1. 2. Zij doen hard hun best op school.

pers. vnw.: ______________

  1. 3. Mijn oma gaf me een dikke knuffel.

pers. vnw.: ______________

  1. 4. Jullie brengen hun ieder jaar een kerstcadeautje.

pers. vnw.: ______________

  1. 5. Waar komen zij en haar moeder vandaan?

pers. vnw.: ______________

  1. 6. Hij heeft heel de nacht buiten geslapen.

pers. vnw.: ______________

  1. 7. Vorige week is het feest afgelast.

pers. vnw.: ______________

  1. 8. Wanneer gaat het nu door?

pers. vnw.: ______________

Antwoorden opdracht 1

  1. 1. Ik
  2. 2. zij
  3. 3. hen
  4. 4. mij
  5. 5. zij

Antwoorden opdracht 2

  1. 1. jij, hem
  2. 2. Zij (het woord ‘hun’ is hier een bezittelijk voornaamwoord)
  3. 3. me
  4. 4. Jullie, hun
  5. 5. zij (‘haar’ is hier een bezittelijk voornaamwoord)
  6. 6. Hij
  7. 7. –
  8. 8. het
Maaike de Boer

drs. Maaike de Boer is initiatiefneemster van Wijzeroverdebasisschool.nl

Gerelateerde artikelen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *