Wat is een werkwoordelijk gezegde?

Het werkwoordelijk gezegde is hetzelfde als alle werkwoorden in de zin. De persoonsvorm hoort ook bij het werkwoordelijk gezegde. Als er andere werkwoorden zijn, staan die meestal achteraan in de zin.

Hoe vind je het werkwoordelijk gezegde?

Je vindt het werkwoordelijk gezegde door bij het ontleden alle werkwoorden uit de zin te halen. Dat is soms nog niet zo makkelijk. Daarom leggen we hier stap voor stap uit hoe je dat doet.

Hoe-vind-je-het-werkwoordelijk-gezegde

Wat is een werkwoord?

Allereerst moet je goed weten wat werkwoorden zijn. Werkwoorden zijn woorden die je kunt doen, zoals ‘lopen’, ‘koken’, ‘paardrijden’, maar ook ‘geloven’, ‘denken’ en ‘wachten’. Ze geven een activiteit weer. Een werkwoord kun je altijd vervoegen. Dat betekent dat je hem in verschillende vormen kunt zetten.

werkwoord

We nemen als voorbeeld de werkwoorden ‘fietsen’ en ‘zijn’:

  • Ik fiets * Ik fietste
  • Jij fietst * Jij fietste
  • Hij/zij fietst * Hij/ zij fietste
  • Wij fietsen * Wij fietsten
  • Zij fietsen * Zij fietsten
  • Ik ben * Ik was
  • Jij bent * Jij was
  • Hij/zij is * Hij/ zij was
  • Wij zijn * Wij waren
  • Zij zijn * Zij waren

Als je twijfelt of een woord een werkwoord is, controleer je of je het kunt vervoegen.
Let op: soms lijkt een woord op een werkwoord, maar is het dat niet.

Kijk maar eens naar de volgende voorbeeldzinnen:

  • Ik fiets graag naar school.
  • Ik heb een nieuwe fiets.

In de eerste zin is ‘fiets’ wel een werkwoord, omdat het aangeeft wat iemand doet.
In de tweede zin is ‘fiets’ geen activiteit, maar een ding. In die zin is ‘fiets’ dus geen werkwoord, maar een zelfstandig naamwoord.
Als je nu goed weet wat werkwoorden zijn, ga je verder naar de volgende stap.

Zoek de persoonsvorm

Je gaat nu op zoek naar de persoonsvorm van de zin. Misschien weet je het nog: de persoonsvorm is het eerste werkwoord dat je in de zin tegenkomt. Je vindt hem makkelijk door de zin vragend te maken. De persoonsvorm komt dan (meestal) vooraan te staan.

persoonsvorm

Kijk maar:

  • Hanna en Mick maken een rekentoets.
  • Maken Hanna en Mick een rekentoets?

In de tweede zin (de vraagzin) staat de persoonsvorm vooraan. ‘Maken’ is dus de persoonsvorm, ook in de eerste zin. Je kunt de persoonsvorm ook vinden door de zin in een andere tijd te zetten. Een zin die in de verleden tijd staat, zet je in de tegenwoordige tijd of andersom. De persoonsvorm is het enige woord dat verandert.

Bijvoorbeeld:

  • Misja rent over het speelplein.
  • Misja rende over het speelplein.

Het woord ‘rent’ is het enige woord dat verandert. Daarom is dat de persoonsvorm. Houd in je achterhoofd dat de persoonsvorm altijd een werkwoord is. Een woord dat aangeeft wat iemand doet dus.

Ga op zoek naar andere werkwoorden

Nu je de persoonsvorm hebt gevonden, ga je op zoek naar andere werkwoorden. Een persoonsvorm is altijd aanwezig in de zin; andere werkwoorden niet. Het is handig om te weten dat de andere werkwoorden heel vaak achteraan in de zin te vinden zijn. Vraag je dus steeds af: zijn er achteraan in deze zin woorden te vinden die aangeven wat iemand doet? En kun je ze vervoegen?

andere-werkwoorden

Bijvoorbeeld:

  • Rob heeft kroketten gebakken.

De persoonsvorm in deze zin is ‘heeft’, omdat dat woord vooraan komt te staan als je de zin vragend maakt.
Nu kijken we achteraan in de zin. Daar staan de woorden ‘kroketten’ en ‘gebakken’. Het woord ‘kroketten’ is een zelfstandig naamwoord en dus geen werkwoord. Het woord ‘gebakken’ is wel een werkwoord. Het komt namelijk van ‘bakken’ en dat is een activiteit. Je kunt het doen. Het enige andere werkwoord in deze zin is dus ‘gebakken’. Het werkwoordelijk gezegde is ‘heeft gebakken’. Dat zijn alle werkwoorden in deze zin.

Nog een voorbeeld:

  • Kayley wil naar de dansschool gaan.

De persoonsvorm is ‘wil’. Het enige andere werkwoord in deze zin is ‘gaan’.
Het werkwoordelijk gezegde is dus ‘wil gaan’.

Persoonsvorm, infinitief en voltooid deelwoord

Naast de persoonsvorm kunnen er infinitieven en voltooid deelwoorden in het werkwoordelijk gezegde zitten. Dat zijn allebei soorten werkwoorden. Een infinitief is hetzelfde als het hele werkwoord. Voorbeelden van infinitieven zijn: ‘worden’, ‘rennen’, ‘praten’, ‘kijken’ en ‘doen’. Infinitieven eindigen meestal op -en.

infinitief

In deze zin zitten meerdere infinitieven:

  • Jop had graag naar de puppy’s willen kijken.

De persoonsvorm is ‘had’. ’Willen’ en ‘kijken’ zijn allebei infinitieven. Het werkwoordelijk gezegde van deze zin is ‘had willen kijken’. Dan is er nog het voltooid deelwoord. Dat is een woord dat aangeeft wat iemand al gedaan heeft. Voorbeelden zijn: ‘gebakken’, ‘gemaakt’, ‘verkocht’, ‘gedaan’.
Ook deze werkwoordsoort hoort bij het werkwoordelijk gezegde.

Bijvoorbeeld:

  • De fietsenmaker heeft de fiets gerepareerd.

De persoonsvorm is ‘heeft’. Achterin de zin staat ‘gerepareerd’. Dat woord geeft aan wat de fietsenmaker gedaan heeft en is dus een werkwoord. Het hoort daarom bij het werkwoordelijk gezegde. Het werkwoordelijk gezegde van deze zin is ‘heeft gerepareerd’.
Soms zit in een zin een combinatie van al deze werkwoorden (persoonsvorm, infinitief en voltooid deelwoord).

Kijk maar:

  • Ik had die sommen al gemaakt willen hebben.

De persoonsvorm is ‘had’. Andere werkwoorden zijn: ‘gemaakt’ (voltooid deelwoord), ‘willen’ (infinitief) en ‘hebben’ (infinitief).
Het werkwoordelijk gezegde is ‘had gemaakt willen hebben’.

voltooid deelwoord

Gesplitst werkwoord

Soms is een werkwoord in twee delen gesplitst. Dat gebeurt bijvoorbeeld als je een persoonsvorm maakt van het werkwoord ‘uitleggen’.

Kijk maar:

  • De juf legt de lastige sommen uit.

Hier zie je dat het werkwoord ‘uitleggen’ in tweeën is gesplitst. Allebei de onderdelen horen bij het werkwoordelijk gezegde.
Het werkwoordelijk gezegde is hier dus ‘legt uit’.

Hoe herken je het werkwoordelijk gezegde?

Hierboven hebben we je uitgelegd hoe je het werkwoordelijk gezegde herkent. In het kort komt het hierop neer: Het werkwoordelijk gezegde is hetzelfde als alle werkwoorden in de zin, dus ook de persoonsvorm. Werkwoorden herken je door te kijken of je ze kunt vervoegen.

Wanneer is het persoonsvorm of werkwoordelijk gezegde?

Wanneer is een woord een persoonsvorm en wanneer een werkwoordelijk gezegde? Deze vraag wordt vaak gesteld. We leggen het je nu uit.
De persoonsvorm is altijd onderdeel van het werkwoordelijk gezegde. Soms staan er meer werkwoorden in de zin. Die zijn dan ook allemaal onderdeel van het werkwoordelijk gezegde.

Bijvoorbeeld:

  • Kate heeft alle snoepjes uitgedeeld.

‘Heeft’ is de persoonsvorm. Ook ‘uitgedeeld’ is een werkwoord. Het werkwoordelijk gezegde is ‘heeft uitgedeeld’.
Soms is de persoonsvorm het enige werkwoord in de zin. Dan is de persoonsvorm het hele werkwoordelijk gezegde.

  • Raketten vliegen door de ruimte.

In deze zin is ‘vliegen’ de persoonsvorm én het enige werkwoord in de zin. ‘Vliegen’ is dus het werkwoordelijk gezegde.
Je ziet: een persoonsvorm hoort altijd bij het werkwoordelijk gezegde, maar het werkwoordelijk gezegde kan uit meer onderdelen bestaan dan alleen de persoonsvorm.

Wanneer bestaat het werkwoordelijk gezegde uit alleen een persoonsvorm?

Op deze vraag kunnen we nu heel snel antwoord geven.
Het werkwoordelijk gezegde bestaat alleen uit een persoonsvorm als er geen andere werkwoorden in de zin zitten.

Kijk eens naar deze zinnen:

  • Veel mensen vinden chocola lekker.
  • Darryl en Joni knutselen graag.

In beide zinnen is maar één werkwoord aanwezig: de persoonsvorm. In de eerste zin is ‘vinden’ dus de persoonsvorm én het werkwoordelijk gezegde. In de tweede zin geldt hetzelfde voor ‘knutselen’.

Voorbeelden van het werkwoordelijk gezegde

We geven je nu een aantal voorbeeldzinnen, waarbij we steeds vertellen wat het werkwoordelijk gezegde is. Daarna ga je er zelf mee oefenen.

  • Giraffen eten graag bladeren van bomen.

De persoonsvorm is ‘eten’.
Andere werkwoorden zitten niet in deze zin.
Het werkwoordelijk gezegde is dus ‘eten’.

  • Deze broek heeft mij nooit lekker gezeten.

De persoonsvorm is ‘heeft’.
Het andere werkwoord in deze zin is ‘gezeten’.
Het werkwoordelijk gezegde is dus ‘heeft gezeten’.

  • Waar willen jullie morgen naartoe gaan?

De persoonsvorm is ‘willen’.
Het andere werkwoord in deze zin is ‘gaan’.
Het werkwoordelijk gezegde is dus ‘willen gaan’.

  • Toby en Jip hadden graag koekjes willen bakken.

De persoonsvorm is ‘hadden’.
Andere werkwoorden zijn ‘willen’ en ‘bakken’.
Het werkwoordelijk gezegde is dus ‘hadden willen bakken’.

  • Aan de kassa rekende ik alle producten af.

De persoonsvorm is ‘rekende af’.
Andere werkwoorden zitten niet in deze zin.
Het werkwoordelijk gezegde is dus ‘rekende af’.

  • We hadden de televisie uit moeten zetten.

De persoonsvorm is ‘hadden’.
Andere werkwoorden ‘uitzetten’ (gesplitst) en ‘moeten’.
Het werkwoordelijk gezegde is dus ‘hadden uit moeten zetten’.

Werkwoordelijk gezegde oefenen

Ben je klaar om zelf met het werkwoordelijk gezegde te oefenen? Maak dan deze opdrachten. Onderaan de pagina staan de antwoorden.

Opdracht 1

Vul bij deze opdracht eerst in wat de persoonsvorm is en wat de andere werkwoorden zijn. Daarna combineer je deze antwoorden tot het werkwoordelijk gezegde.

  1. Jens viel van de trap.

Persoonsvorm: ___________

Andere werkwoorden: ___________________________

Werkwoordelijk gezegde: ____________________________

  1. Loop jij graag hard?

Persoonsvorm: ___________

Andere werkwoorden: ___________________________

Werkwoordelijk gezegde: ____________________________

  1. Ons gezin heeft met veel plezier vakantie gevierd.

Persoonsvorm: ___________

Andere werkwoorden: ___________________________

Werkwoordelijk gezegde: ____________________________

  1. Mijn huiswerk wilde ik voor mijn voetbalwedstrijd afgemaakt hebben.

Persoonsvorm: ___________

Andere werkwoorden: ___________________________

Werkwoordelijk gezegde: ____________________________

  1. Waar heb jij je laptop laten liggen?

Persoonsvorm: ___________

Andere werkwoorden: ___________________________

Werkwoordelijk gezegde: ____________________________

  1. Iedere ochtend om 7 uur laat mijn zusje de hond uit.

Persoonsvorm: ___________

Andere werkwoorden: ___________________________

Werkwoordelijk gezegde: ____________________________

Opdracht 2

Bekijk nu de volgende zinnen en schrijf het werkwoordelijk gezegde in één keer op.

  1. Ga je mee spelen?

Werkwoordelijk gezegde: __________________________

  1. Hoe heb je dat nou kunnen doen?

Werkwoordelijk gezegde: __________________________

  1. Ik heb al mijn eten opgegeten.

Werkwoordelijk gezegde: __________________________

  1. Caroline heeft hard gewerkt voor een voldoende.

Werkwoordelijk gezegde: __________________________

  1. De schaatsen liggen op zolder.

Werkwoordelijk gezegde: __________________________

  1. Voor onze vakantie zijn we helemaal naar Zuid-Frankrijk gereden.

Werkwoordelijk gezegde: __________________________

  1. De kunstenaar had al zijn doeken al geschilderd moeten hebben.

Werkwoordelijk gezegde: __________________________

  1. Waarom heeft een olifant zo’n lange slurf?

Werkwoordelijk gezegde: __________________________

Antwoorden opdracht 1

  1. Jens viel van de trap.

Persoonsvorm: viel

Andere werkwoorden: –

Werkwoordelijk gezegde: viel

  1. Loop jij graag hard?

Persoonsvorm: Loop hard

Andere werkwoorden: –

Werkwoordelijk gezegde: Loop hard

  1. Ons gezin heeft met veel plezier vakantie gevierd.

Persoonsvorm: heeft

Andere werkwoorden: gevierd

Werkwoordelijk gezegde: heeft gevierd

  1. Mijn huiswerk wilde ik voor mijn voetbalwedstrijd afgemaakt hebben.

Persoonsvorm: wilde

Andere werkwoorden: afgemaakt hebben

Werkwoordelijk gezegde: wilde afgemaakt hebben

  1. Waar heb jij je laptop laten liggen?

Persoonsvorm: heb

Andere werkwoorden: laten liggen

Werkwoordelijk gezegde: heb laten liggen

  1. Iedere ochtend om 7 uur laat mijn zusje de hond uit.

Persoonsvorm: laat uit

Andere werkwoorden: –

Werkwoordelijk gezegde: laat uit

Antwoorden opdracht 2

  1. Ga je mee spelen?

Werkwoordelijk gezegde: Ga spelen

  1. Hoe heb je dat nou kunnen doen?

Werkwoordelijk gezegde: heb kunnen doen

  1. Ik heb al mijn eten opgegeten.

Werkwoordelijk gezegde: heb opgegeten

  1. Caroline heeft hard gewerkt voor een voldoende.

Werkwoordelijk gezegde: heeft gewerkt

  1. De schaatsen liggen op zolder.

Werkwoordelijk gezegde: liggen

  1. Voor onze vakantie zijn we helemaal naar Zuid-Frankrijk gereden.

Werkwoordelijk gezegde: zijn gereden

  1. De kunstenaar had al zijn doeken al geschilderd moeten hebben.

Werkwoordelijk gezegde: had geschilderd moeten hebben

  1. Waarom heeft een olifant zo’n lange slurf?

Werkwoordelijk gezegde: heeft

Maaike de Boer

drs. Maaike de Boer is initiatiefneemster van Wijzeroverdebasisschool.nl

Gerelateerde artikelen

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *