Wat is een bezittelijk voornaamwoord? Uitleg en 5 vragen beantwoord!

Het bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie of wat iets is. Als je bijvoorbeeld zegt: “Dat is zijn fiets”, vertelt het woord ‘zijn’ van wie de fiets is. Let op: Eigennamen en zelfstandige naamwoorden zijn géén bezittelijke voornaamwoorden. Het gaat altijd om woorden als ‘mijn’, ‘jouw’, ‘zijn’ of ‘haar’.

Je krijgt te maken met bezittelijke voornaamwoorden bij taalkundig ontleden ofwel woordbenoemen.

Betekenis bezittelijk voornaamwoord

Net als bij het persoonlijk voornaamwoord zegt de naam ‘bezittelijk voornaamwoord’ al veel over de betekenis van deze woordsoort. Hij geeft aan van wie iets is.

We geven een paar voorbeelden. Alle bezittelijke voornaamwoorden in deze voorbeelden zijn schuingedrukt.

~ Mijn moeder staat altijd voor mij klaar.
~ Gaan we naar zijn huis of naar het jouwe?
~ Waar staan jullie tassen?

Heel vaak duidt een bezittelijk voornaamwoord op een mens. Toch hoeft dat niet altijd zo te zijn. Kijk maar eens naar de volgende zinnen:

~ De dolfijn slikt zijn vis in één keer in.
~ De bibliotheek heeft haar deuren moeten sluiten.

In het kort kun je zeggen dat een bezittelijk voornaamwoord altijd verwijst naar een persoon, een dier of een organisatie.

Bekijk ook:

De afkorting: bez. vnw.

Als je taalkundig moet ontleden, heb je vaak maar weinig ruimte om je antwoorden op te schrijven. Bovendien wil je er niet te veel tijd mee kwijt zijn.

Gelukkig hoef je niet altijd het hele woord ‘bezittelijk voornaamwoord’ op te schrijven. In plaats daarvan gebruik je de afkorting ‘bez. vnw.’.

Niet op iedere school in Nederland wordt gewerkt met afkortingen. Misschien moet jij van je meester of juf het bezittelijk voornaamwoord wel met een bepaald teken of een kleurtje aangeven.

Ook dat is helemaal prima. Het belangrijkste blijft natuurlijk dat jij het bezittelijk voornaamwoord herkent!

Het rijtje: mijn, jouw, zijn, haar

Als je een bezittelijk voornaamwoord snel wilt herkennen, kun je het beste de onderstaande tabel uit je hoofd leren. Eigenlijk bestaat deze tabel uit 2 belangrijke kolommen.

De eerste kolom laat zien welke bezittelijke voornaamwoorden er vóór een zelfstandig naamwoord (zoals ‘fiets’) kunnen staan. De tweede kolom vertelt welke bezittelijke voornaamwoorden niet voor een zelfstandig naamwoord staan.

bezittelijke voornaamwoorden

Er zijn wat dingen in deze tabel die opvallen.

Allereerst zie je dat de bezittelijke voornaamwoorden uit de tweede kolom in feite allemaal uit twee woorden bestaan: ‘de’ of ‘het’ en het voornaamwoord. Een voorbeeld:

~ Is dat zijn boek? Nee, dat is het jouwe.

Je mag ‘het jouwe’ in zijn geheel als bezittelijk voornaamwoord benoemen.

Het tweede ding dat opvalt is het streepje in de laatste kolom achter ‘jullie’. Dit betekent dat er geen bezittelijk voornaamwoord bestaat als ‘de/het jullie’. Daarvoor gebruik je altijd ‘van jullie’ voor.

Dus niet:
~ Dat huis is het jullie. (fout)

Maar:
~ Dat huis is van jullie.

In het laatste voorbeeld is ‘jullie’ een persoonlijk voornaamwoord en geen bezittelijk voornaamwoord. Ook al geeft het wel aan van wie iets is. Dit is dus de uitzondering binnen de regels van het bezittelijk voornaamwoord.

Hoe vind je het persoonlijk voornaamwoord?

Voor het bezittelijk voornaamwoord geldt, net als voor het persoonlijk voornaamwoord, dat je als basis het beste de tabel uit je hoofd kunt leren. Maar let op: het is heel belangrijk dat je ook altijd goed naar de betekenis van het woord in de zin kijkt.

Vergelijk deze twee zinnen maar eens:

~ Wij zijn gisteren van vakantie teruggekomen.
~ Dat is zijn fiets.

Het woord ‘zijn’ in de eerste zin is géén bezittelijk voornaamwoord, maar een werkwoord. De betekenis van het woord ‘zijn’ is hier namelijk niet ‘van hem’.

In de tweede zin is ‘zijn’ wél een bezittelijk voornaamwoord. Ook bij een woord als ‘jullie’ moet je altijd oppassen. Dat kan namelijk ook een persoonlijk voornaamwoord zijn.

Kijk maar:

~ Hebben jullie de vuilnis al buiten gezet?
~ Dat is jullie auto, toch?

In de eerste zin is ‘jullie’ een persoonlijk voornaamwoord. Deze ‘jullie’ geeft geen bezit aan.

Dat is wel het geval in de tweede zin. Daar vertelt ‘jullie’ van wie de auto is. Controleer dus altijd hoe het woord bedoeld wordt. Daar heb je de rest van de zin voor nodig.

Hoe vind je het bezittelijk voornaamwoord?

Het bezittelijk voornaamwoord in groep 7 en 8

In groep 6 heb je al een beginnetje gemaakt met taalkundig ontleden, het onderdeel waar het bezittelijk voornaamwoord onder valt.

Het bezittelijk voornaamwoord komt op de meeste basisscholen in groep 7 aan bod. Je leert dan de betekenis van het woord en je leert het herkennen. Ook leer je het verschil tussen het persoonlijk, bezittelijk en het aanwijzend voornaamwoord.

In groep 8 herhaal je vooral nog wat je in groep 7 geleerd hebt. Oefeningen zijn dan vaak wat lastiger, waardoor je de theorie nóg beter onder de knie krijgt.

Krijg jij het bezittelijk voornaamwoord pas in groep 8 uitgelegd? Of heeft je meester of juf er in groep 6 al iets over verteld? Dat is natuurlijk allemaal prima! Ook de middelbare school besteedt vaak nog veel aandacht aan taalkundig ontleden.

Veelgestelde vragen

Er zijn heel wat vragen over het bezittelijk voornaamwoord die regelmatig worden gesteld. We beantwoorden ze daarom in dit artikel. Zie jij jouw vraag er niet tussen staan? Stel hem dan in een reactie onder dit artikel. We komen er dan zo snel mogelijk op terug.

Welk bezittelijk voornaamwoord gebruik je bij een onzijdig woord?

Wist je dat ieder zelfstandig naamwoord een geslacht heeft? Het kan mannelijk, vrouwelijk of onzijdig zijn.
Voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden is het niet zo moeilijk welke bezittelijke voornaamwoorden je gebruikt.

Kijk maar mee:
~ De kroon is van de koning. Dat is zijn kroon.
~ De kroon is van de koningin. Dat is haar kroon.

Maar hoe zit het nu met het-woorden, ook wel de onzijdige woorden genoemd? Welk bezittelijk voornaamwoord schrijf je bijvoorbeeld als je naar ‘het schaap’ verwijst?

Je gebruikt dan dezelfde bezittelijke voornaamwoorden als bij de mannelijke woorden.

Je zegt dus:
~ Het schaap eet zijn hooi.

Nog wat voorbeelden:
~ Het politiebureau heeft zijn eerste open dag gehouden.
~ Het paard heeft z’n ruiter eraf gegooid.
~ Het visje heeft zijn eten nog niet op.

Wat is het verschil tussen het persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord ‘hun’?

Het woord ‘hun’ is ook lastig, net als het woord ‘jullie’. ‘Hun’ kan zowel een bezittelijk als een persoonlijk voornaamwoord zijn. Maar hoe weet je nu met welke je te maken hebt?

Onthoud dat het antwoord op die vraag altijd verborgen zit in de betekenis van de zin. Als een woord een bezittelijk voornaamwoord is, vertelt het woord van wie iets is.

We geven je wat voorbeelden om het verschil duidelijk te maken:
~ Hun vraag werd niet beantwoord.
~ Heb jij hun de formulieren gegeven?

In de eerste zin zie je dat met ‘hun’ hetzelfde bedoeld wordt als ‘van hen’. ‘Hun’ geeft hier dus een bezit aan en is daarmee een bezittelijk voornaamwoord. In de tweede zin geeft ‘hun’ geen bezit aan. Hier is ‘hun’ een persoonlijk voornaamwoord.

Je weet het verschil pas als je de zin helemaal bekijkt. Alleen naar het woord ‘hun’ kijken is dus niet voldoende om te weten tot welke woordsoort hij behoort.

Is ‘van mij’ ook een bezittelijk voornaamwoord?

Soms zie je dit staan:
~ Die pen is van mij.

Deze zin geeft ook een bezit aan. Hij vertelt namelijk van wie de pen is. Toch is ‘van mij’ geen bezittelijk voornaamwoord. Het is een combinatie van een voorzetsel en een persoonlijk voornaamwoord.

Onthoud maar dat een bezittelijk voornaamwoord maar 2 opties heeft:
• Hij staat voor een zelfstandig naamwoord;
• Hij wordt gevormd in combinatie met ‘de’ of ‘het’ (zoals ‘de mijne’ en ‘het jouwe’).

Voldoet het woord dat jij moet benoemen niet aan 1 van de 2 bovenstaande mogelijkheden, dan is het geen bezittelijk voornaamwoord.
Ons voorbeeld voldoet niet aan 1 van de eisen. Bovendien staat het woordje ‘mij’ niet in de tabel van de bezittelijke voornaamwoorden.

Mag je ‘me vader’ schrijven?

Nee, ‘me vader’ en ‘me fiets’ zijn niet correct geschreven. Je gebruikt hier een bezittelijk voornaamwoord en ‘me’ hoort niet in dat rijtje thuis.
In plaats daarvan zeg je:
~ Dat mag niet van mijn vader.
~ M’n fiets heeft een kapotte band.

Hoe vaak je deze (foute) variant ook voorbij ziet komen, hij is en blijft voorlopig dus fout.

Wanneer schrijf je ‘jou’ en wanneer ‘jouw’?

Nog zo’n lastige: wanneer schrijf je ‘jou’ zonder ‘w’ en wanneer ‘jouw’ met een ‘w’? Het woord ‘jouw’ is een bezittelijk voornaamwoord, terwijl ‘jou’ een persoonlijk voornaamwoord is.

Hier zie je het verschil:
~ Ik heb jou gisteren gezien.
~ Jouw schoenen zijn netjes gepoetst.

Dat is dus 1 manier om het te onthouden: bij een bezittelijk voornaamwoord schrijf je een ‘w’ aan het eind, bij een persoonlijk voornaamwoord niet.
Maar wat doe je als je nog niet zo goed weet of het woord dat jij moet schrijven een bezittelijk of persoonlijk voornaamwoord is? Dan kun je een handig ezelsbruggetje gebruiken.

Verander ‘jou’ dan in ‘u’. De woorden ‘u’ en ‘uw’ spreek je verschillend uit. Komt er achter ‘u’ een ‘w’? Dan moet er achter ‘jou’ ook een ‘w’!

Bijvoorbeeld in deze zin:
~ Is jouw geld wel echt van jou?

Als je over de schrijfwijze twijfelt, maak je er dit van:
~ Is uw geld wel echt van u?

Hoor je dat je in de tweede zin wél het verschil hoort tussen ‘u’ en ‘uw’? Nu weet je ook waar je ‘jou’ en ‘jouw’ moet schrijven!

bezittelijk voornaamwoord oefenen

Het bezittelijk voornaamwoord oefenen

Om het bezittelijk voornaamwoord zonder problemen te herkennen en te gebruiken, moet je er regelmatig mee oefenen.

Hieronder staan wat oefeningen die je kunt gebruiken om jouw kennis over het bezittelijk voornaamwoord te testen. De antwoorden staan onderaan de pagina.

Heb je nog vragen over de theorie? Laat het ons gerust weten!

Opdracht 1

Schrijf het bezittelijk voornaamwoord uit iedere zin op. In elke zin staat er 1.

  1. 1. Hij heeft z’n huiswerk nog niet gemaakt.
  2. Bez. vnw.: _
  1. 2. Heb jij je sommen al gedaan?
  2. Bez. vnw.: _
  1. 3. Waar staan jullie theekopjes?
  2. Bez. vnw.: _
  1. 4. Heb jij een extra gum? Ik kan de mijne nergens vinden.
  2. Bez. vnw.: _
  1. 5. Ik ben m’n telefoon vergeten.
  2. Bez. vnw.: _

Opdracht 2

Schrijf van iedere zin alle bezittelijke voornaamwoorden op.

  1. 1. Doen jullie je optreden nog?
  2. Bez. vnw.: _______________________
  1. 2. Die pizza is van mij!
  2. Bez. vnw.: _______________________
  1. 3. Waar zijn m’n etui en jouw pennen gebleven?
  2. Bez. vnw.: _______________________
  1. 4. Zijn jullie de weg kwijt?
  2. Bez. vnw.: _______________________
  1. 5. Jouw veters zitten los. Straks val je nog.
  2. Bez. vnw.: _______________________
  1. 6. Is dit jouw boekje? Of is het het zijne?
  2. Bez. vnw.: _______________________

Opdracht 3

Schrijf op: ‘jou’ of ‘jouw’.

  1. 1. Heb jij __ bloemen al water gegeven?
  2. 2. Die step is niet van __.
  3. 3. Waar haal je __ peren altijd vandaan?
  4. 4. Ik vind dat niet aardig van __.
  5. 5. Heeft hij __ al vaker gezien?
  6. 6. __ taart is echt heerlijk!

Antwoorden opdracht 1

  1. 1. z’n
  2. 2. je
  3. 3. jullie
  4. 4. de mijne
  5. 5. m’n

Antwoorden opdracht 2

  1. 1. je
  2. 2. –
  3. 3. m’n, jouw
  4. 4. –
  5. 5. jouw
  6. 6. jouw, het zijne

Antwoorden opdracht 3

  1. 1. jouw
  2. 2. jou
  3. 3. jouw
  4. 4. jou
  5. 5. jou
  6. 6. Jouw (met hoofdletter!)
Maaike de Boer

drs. Maaike de Boer is initiatiefneemster van Wijzeroverdebasisschool.nl

Gerelateerde artikelen

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *