Wat leert je kind in groep 2?

Bekijk hier alle uitleg, tips en spelletjes voor jouw kind in groep 2. Vergeet ook niet onderaan deze pagina de tips over woordenschat en rekenen in groep 2 te bekijken!

Naar groep 2

In de groepen 1/2 wordt de basis gelegd voor het zelfstandig werken. De kinderen leren tijdens de werkles en het spelen al om te gaan met uitgestelde aandacht. Met behulp van een teken (stoplicht, beer op de stoel o.i.d. ) geven de leerkrachten aan dat zij voor een bepaalde tijd niet beschikbaar zijn. Zij gaan dan bijvoorbeeld met een groepje kinderen in de kleine kring of in een bepaalde hoek of aan een tafel met een groepje kinderen aan het werk. 

Zelfstandigheid wordt versterkt door de mogelijkheid zelf activiteiten te kiezen via het planbord. Er is ruimte voor de leerkracht om bepaalde activiteiten voor verschillende kinderen in te plannen, maar ook een grote vrijheid voor de kinderen om zelf te kiezen en te plannen (weektaak). Je kind leert zo eigen keuzes te maken, en krijgt meer zelfvertrouwen.

Overgang groep 1 naar groep 2

Als je kind in groep 1 vijf jaar is geworden, gaat het in de regel door naar groep 2. Als je kind tussen 1 oktober en eind december is geboren, is het vrijwel altijd een ‘bespreekgeval’ voor de school.

Vroeger bleven kinderen die na 1 oktober geboren waren, altijd langer in groep 1, omdat een kind 6 jaar moest zijn voordat het naar de ‘grote’ school mocht. Nu wordt meer gekeken naar de ontwikkeling van je kind, en zal dus bekeken worden of je herfstkind toe is aan groep 2, en als gevolg daarvan ook pas na een paar maanden in groep 3 pas 6 jaar wordt.

Maar de school kan, in overleg met de ouders, ook besluiten dat je kind nog niet toe is aan groep 3. Je kind doet dan groep 2 nog een keer. In dat geval wordt gesproken van kleuterverlenging. Verderop in dit artikel wordt besproken wat de redenen kunnen zijn voor zo’n kleuterverlenging. 

Wat leert je kind in groep 2?

Kinderen ontwikkelen zich allemaal anders. Dat begint al in de babytijd: de ene baby kruipt al snel, terwijl de andere eerder begint met brabbelen. Sommige kinderen brabbelen als snel, terwijl de ander pas laat begint te praten, maar dan wel gelijk verstaanbare zinnetjes produceert. Er zijn peuters die leren lopen met vallen en opstaan, maar ook peuters die eerst het kunstje afkijken, en dan op het moment dat ze leren lopen, gelijk de hele kamer doorkruisen. 

Dit verschil in tempo, manier van leren en voorkeurinteresses zet zich voort in de kleuterbouw. De ontwikkeling gaat daarbij nooit gelijkmatig: in een bepaalde periode zal je kind vooral bezig zijn met bouwen met grote blokken, terwijl het in een andere, eerdere of latere, periode opeens volop belangstelling heeft voor tellen en alles telt wat los en vast zit.  

Daarbij kunnen kinderen ook enorme sprongen maken in hun ontwikkeling. Een kind dat de ene maand nog niet kan rijmen, kan het zomaar 3 weken later wel kunnen. Het kan zelfs van dag tot dag verschillen, zoals in dit voorbeeld: Janna vraagt oma om haar te helpen om op het trappetje van de glijbaan te klimmen. Op de opmerking van oma dat ze dat 2 dagen daarvoor zelf kon, zegt Janna: “Ja maar toen had ik nog spierballen. Die zijn nu weg”. 

Op bovenstaande vraag is dus niet zo makkelijk antwoord te geven. Je kind gaat in groep 2 gewoon door met zichzelf al spelend ontwikkelen, in zijn/haar eigen tempo en volgorde. Wel is het zo dat aan het eind van groep 2 een bepaald niveau bereikt moet zijn om naar groep 3 te kunnen. Vroeger werd dat ‘schoolrijpheid’ genoemd. 

Rekenontwikkeling groep 2

Een hele leuke manier om de leerdoelen van rekenen met je kind door te nemen is met het spel ‘rekenen met je kleuter’. Klik hier voor meer informatie.

rekenen kleuter

Getallen

Je kind moet de getalrij tot 20 kunnen opzeggen. Voor de getallen tot 10 geldt dat het die ook op papier herkent en zelf kan schrijven. Je kind krijgt in groep 2 bijvoorbeeld werkbladen waarop het aantal bloemen geteld, en heb bijbehorende getalsymbool geteld moet worden.  

Er zal ook geoefend worden met getalbeelden, bijvoorbeeld op de dobbelsteen. Als je vaak spelletjes doet, zal je kind het aantal stippen gaan herkennen zonder te tellen. Maar het is ook goed om te oefenen met de getalbeelden van de vingers, zodat je kind ook in één keer ziet hoeveel het er zijn. 

Leer je kind vanaf het begin om te tellen van links naar rechts. Zo leert het gelijk dat naar rechts meer is, en naar links minder (net zoals op de getallenlijn).

Je kind moet begrijpen dat 8 meer is dan 5 en andersom, en verder kunnen tellen vanaf een gegeven getal, bijvoorbeeld tel verder vanaf 3. Er zijn er allerlei rekenkundige begrippen die het moet begrijpen: meer, minder, evenveel, meeste, minste, erbij, eraf, samen en niets. Gebruik deze woorden vaak in het dagelijks leven. 

Verder moet je kind de getallen tot 10 kunnen splitsen, optellen en aftrekken, maar dit gaat allemaal nog tellend. Je kind krijgt bijvoorbeeld een werkblad met bloemen, waarop het steeds een rondje moet zetten om groepjes van 3 en dan tellen hoeveel het bij elkaar zijn. 

Oefenen met optellen en aftrekken gebeurt ook met materiaal: de juf stopt 6 knikkers onder een hoed en haalt er 2 weg. Hoeveel liggen er dan nog onder de hoed? Dit is overigens moeilijker dan je zou denken: je kind moet zich een voorstelling maken van iets dat het niet ziet. 

Meten in groep 2

Woorden als groter, langer, meer, minder, dikker, dunner, lichter en zwaarder moeten bekend zijn. Bij het onderdeel meten moet je kind opdrachten kunnen uitvoeren zoals: zet de blokken van klein naar groot, of zet blokken die even groot zijn bij elkaar. Je kind moet ook kunnen begrijpen dat je voorwerpen kunt meten, bijvoorbeeld: hoeveel A4’tjes passen er op de tafel, of in hoeveel stappen kun je van de ene kant van de klas naar de andere kant lopen. Of kunnen beredeneren dat een vol pak melk zwaarder is dan een leeg pak. 

Verder moet het begrippen rondom tijd begrijpen: op tijd, te laat, toen, nu, later. Verder tijdsbegrip: de dagen van de week, en de delen van de dag. Je kind hoeft nog niet te kunnen klokkijken, maar wel snappen dat de klok een manier is om de tijd te meten (als de kleine wijzer op de 6 staat, gaan we eten). 

Omgaan met geld hoort ook tot het meten. Je kind moet begrijpen waar geld voor dient, dat je daarmee dingen kunt kopen en dat je die dus betaalt. En woorden begrijpen zoals goedkoper en duurder. 

Meetkunde in groep 2

Bij het onderdeel meetkunde gaat het meer over begrippen als voor, achter, naast, tegenover, op, tussen, ver en dichtbij. Je kind moet verder een simpele constructie met blokken kunnen nabouwen van een foto, of met behulp van simpele plattegronden waarop staat hoeveel blokjes er op die plaats op elkaar moeten.

Het moet ook aanwijzingen kunnen opvolgen zoals: loop rechtdoor, ga linksaf, doe 3 stappen naar het raam enz. 

Het moet vormen kennen als vierkant, rechthoek, driehoek, cirkel en ruit. Het moet kunnen vouwen en de begrippen daarbij begrijpen: dubbel, hoek, recht, schuin enz. En het moet patronen kunnen herhalen, bijvoorbeeld 1 rode, 2 gele en 3 blauwe kralen, en dan weer 1 rode enz. 

Taal: voorbereidend lezen

Er is veel discussie over het wel of niet aanleren van letters in groep 1 en 2. Volgens het SLO (stichting leerplanontwikkeling) hoort het aanleren van letters niet tot de leerstof voor groep 2.

In het protocol Dyslexie, dat is ontwikkeld om dyslexie zo snel mogelijk te ontdekken en behandelen, wordt wel aangeraden om in groep 1 en 2 al te beginnen met het aanleren van de letters. 

De meeste kinderen kunnen eind groep 1 wel hun eigen naam schrijven, maar Tom heeft het daarbij wel een stuk makkelijker dan Anouchka. Meestal zal het ook meer een kwestie zijn van het tekenen van de letters, waarbij de volgorde er meestal niet zo toe doet, en ook net zo makkelijk van links naar rechts geschreven wordt als andersom. 

Maar veel belangrijker is dat je kind de functie begrijpt van letters, en het verband begrijpt tussen gesproken woorden en het woord op papier. De SLO formuleert het als volgt:

“Ontdekken dat woorden zijn opgebouwd uit klanken en dat letters met die klanken corresponderen”. 

Je kind moet ook losse woorden in zinnen kunnen onderscheiden, en onderscheid kunnen maken tussen de vorm en de betekenis van de woorden.

Dus begrijpen dat bij iets dat heel groot is een kort woord kan horen en andersom. Een ‘regenworm’ is veel kleiner dan een ‘kat’. Verder moet je kind woorden in klankgroepen kunnen verdelen: re-gen-worm. En andersom: als je zegt o-li-fant, moet het die klanken kunnen samenvoegen tot olifant. 

Verder moet het in een kort woord zoals ‘pen’ de verschillende klankeenheden kunnen horen: p-e-n. Rijmen is ook erg belangrijk: lees je kind veel versjes voor waarbij je steeds het laatste woord(stukje) weglaat: “Kijk, ik zie de maan. Het is tijd om naar bed te g…….

Er zijn een heleboel apps te vinden waarmee je kind online of op de tablet kan oefenen, zoals de apps van Lola’s trein.  Maar je kunt ook zelf met je kind op zoek gaan: welke voorwerpen beginnen met dezelfde letter? In welke woorden hoor je een -oo-klank? 

Andere taalspelletjes, waarmee je vooral oefent met de auditieve waarneming (het horen van de klanken in woorden): 

Motorische ontwikkeling

Het schrijven van de letters is een ander verhaal. De ooghandcoördinatie die daarvoor nodig is, is meestal nog niet voldoende ontwikkeld. Je kind doet daarvoor wel allerlei (schrijf)oefeningen: tussen de lijntjes kleuren, overtrekken, plaatjes uitknippen of prikken en nog veel meer oefeningen voor de fijne motoriek. Op school zijn genoeg materialen, maar thuis kun je natuurlijk lekker aan de gang gaan met allerlei leuke activiteiten waarbij je kind met de handen moet werken.

Woordenschat

Maar taal is natuurlijk veel meer dan het leren van de letters. Je kind leert in groep 2 steeds beter om iets duidelijk te vertellen, bijvoorbeeld in de kring, over wat het in het weekend gedaan heeft.

Het leert redeneren en uitleggen. Maar het leert ook luisteren: opdrachtjes uitvoeren, luisteren naar een verhaal, beredeneren hoe het af zou kunnen lopen. 

Je kunt je kind helpen door: 

Voor al deze oefeningen en spelletjes heeft je kind natuurlijk woorden nodig, en als spelende breidt het ook zijn woordenschat steeds meer uit.

Je kind kent aan het eind van groep 2 wel 8000 woorden! Een leuk boek om de woordenschat uit te breiden is het boek Mijn Tweede van Dale. Dit is een voorleesboek voor kinderen vanaf 4 jaar. Er staan 1000 abstracte en voor kinderen moeilijk uit te leggen woorden in zoals verliefd, verdrietig en zich aanstellen. Deze woorden komen aan de orde in voorleesverhaaltjes en geïllustreerd met een tekening. 

Maar breng ook in het dagelijks leven veel variatie aan in woorden: de ene keer loop je op de stoep, en de andere keer op het trottoir enz. Gebruik ook niet te makkelijke woorden: kinderen snappen meer dan je denkt! 

Neem je kind mee naar uiteenlopende activiteiten: van een bezoekje aan de kinderboerderij leert het weer andere woorden dan van een theatervoorstelling of een rondleiding op Schiphol. 

Maar wat je ook doet om de taalontwikkeling van je kind te stimuleren: hou het speels! Kleuters leren het meest door te spelen!

jongetje en vader schrijven

Pennenstreken, een schrijfmethode

Pennenstreken is een schrijfmethode voor groep 1 t/m 8 van de basisschool, uitgegeven door Zwijsen. Met de schrijfopdrachten van deze methode leren kinderen schrijven en hun eigen werk te beoordelen. Hierbij is het mogelijk te leren schrijven in zowel blokschrift […]
Bekijk artikel