Hoe vind je het meewerkend voorwerp in een zin?

Om bij ontleden het meewerkend voorwerp van de zin te vinden, gebruik je de volgende stappen:

1. Zoek eerst het gezegde, onderwerp en lijdend voorwerp van de zin.
2. Stel nu de vraag: aan wie/ voor wie + gezegde + onderwerp (+ lijdend voorwerp)?
3. Het antwoord op deze vraag is het meewerkend voorwerp.

Een uitgebreidere uitleg over het meewerkend voorwerp vind je hieronder. Lees dus vooral verder als je het nog niet helemaal snapt.

Lees ook onze uitleg over het vinden van de persoonsvorm en over zinsontleding.

Wat is een meewerkend voorwerp?

De naam zegt het al: een meewerkend voorwerp is iemand in de zin die meewerkt met het onderwerp.
Zoals je al weet, is het onderwerp van de zin altijd iemand die actief iets doet. Met het lijdend voorwerp wordt iets gedaan.

Kijk maar eens naar het volgende voorbeeld:
* Anique geeft een cadeautje aan haar vader.

Het onderwerp van deze zin is ‘Anique’. Zij doet namelijk iets. Zij geeft.
Het lijdend voorwerp is ‘een cadeautje’. Dat wordt namelijk gegeven.

Aan het meewerkend voorwerp wordt vaak iets gestuurd, overhandigd of gegeven. Of er wordt iets voor hem gemaakt. In de voorbeeldzin wordt het cadeautje gegeven ‘aan haar vader’, dus dat is het meewerkend voorwerp. Je kunt hiervan een plaatje maken. Dat ziet er dan zo uit:

meewerkend voorwerp en lijdend voorwerp

Nog een voorbeeld:
* Krijn stuurt zijn tante een kaartje.

Beeld je maar eens in hoe dat eruit ziet.
Krijn doet iets actiefs, dus ‘Krijn’ is het onderwerp.

‘een kaartje’ is het lijdend voorwerp, want dat wordt gestuurd. Het kaartje gaat van de ene naar de andere persoon. En dan het meewerkend voorwerp. Aan wie wordt iets gestuurd? Aan ‘zijn tante’. Dat is dus het meewerkend voorwerp.

Welke vraag stel je om het meewerkend voorwerp te vinden?

Vind je het moeilijk om de uitleg van hierboven te onthouden? Dan kun je altijd werken met het stappenplan uit de inleiding van deze tekst.

In dat stappenplan werken we heel vaak met vragen.
Kijk maar:

  1. 1. Zoek het gezegde van de zin (alle werkwoorden).
  2. 2. Zoek het onderwerp: wie/ wat + gezegde?
  3. 3. Zoek het lijdend voorwerp: wie/ wat + gezegde + onderwerp?
  4. 4. Zoek het meewerkend voorwerp.
stappenplan-meewerkend-voorwerp-vinden

Kijk nu eens goed naar de vragen voor het onderwerp en het lijdend voorwerp. Je ziet dat de vraag voor het lijdend voorwerp één stapje langer is gemaakt dan de vraag voor het onderwerp. Het is nu niet meer zo moeilijk om te raden wat de vraag is die je bij het meewerkend voorwerp moet stellen. Je maakt hem gewoon nóg een stapje langer!

De vraag wordt dus: wie/wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp? Toch is de vraag nog niet helemaal af. Om hem volledig te maken, voegen we aan de voorkant nog ‘aan/voor’ toe.

Dan krijg je: ‘aan/voor wie/wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
Ook voor deze vraag geldt dat je de volgorde mag veranderen als je hem invult.

Bijvoorbeeld:
* Amber en Cas hebben een slijmerige surprise aan hun plagende broer gegeven.

Het gezegde van de zin is ‘hebben gegeven’. Het belangrijkste werkwoord (‘gegeven’) is geen koppelwerkwoord. Deze zin heeft dus een werkwoordelijk gezegde.

Het onderwerp is ‘Amber en Cas’.
Het lijdend voorwerp is ‘een slijmerige surprise’. Dat is immers het antwoord op de vraag: ‘wie/wat hebben Amber en Cas gegeven?’

Dan het meewerkend voorwerp. Vul de vraag in voor deze zin. Je krijgt dan: aan/voor wie hebben Amber en Cas een slijmerige surprise gegeven?

Antwoord: aan hun plagende broer.
In deze zin is ‘aan hun plagende broer’ dus het meewerkend voorwerp.

Dingen waar je op moet letten

Als je het meewerkend voorwerp echt goed wilt begrijpen, moet je een paar dingen weten.

Allereerst kijken we naar ‘aan’ en ‘voor’. Als in de zin het meewerkend voorwerp begint met één van die twee woorden, dan hoort dat ‘aan’ of ‘voor’ ook bij het meewerkend voorwerp.

Bijvoorbeeld:
* Hij gaf een zoen aan zijn moeder.

Het meewerkend voorwerp is hier ‘aan zijn moeder’. Het woordje ‘aan’ moet er dus bij. Iets anders wat je moet weten is dat niet ieder zinsdeel dat begint met ‘aan’ of ‘voor’ een meewerkend voorwerp is.

Kijk maar eens naar deze zin:
* Mijn jas hing aan de kapstok.

Het zinsdeel ‘aan de kapstok’ geeft een plaats aan. Daarom kan het geen meewerkend voorwerp zijn. Een meewerkend voorwerp geeft namelijk altijd antwoord op de vraag ‘wie/wat’ en nooit op ‘waar’.

Een derde punt van aandacht: in een zin kan maximaal één meewerkend voorwerp zitten, maar niet in iedere zin is er eentje aanwezig.

tips-meewerkend-voorwerp

Lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp

Als in de zin een meewerkend voorwerp zit, is er ook heel vaak een lijdend voorwerp aanwezig. Dat zie je ook wel aan de vraag die je stelt om het meewerkend voorwerp te vinden:

Aan/voor wie/wat + gezegde + onderwerp (+ lijdend voorwerp)?

Het lijdend voorwerp staat niet voor niks tussen haakjes. Soms is er in de zin geen lijdend voorwerp aanwezig, maar wel een meewerkend voorwerp.

Dat is in twee situaties het geval: als de zin een naamwoordelijk gezegde heeft en als je te maken hebt met een lijdende (of passieve) zin. We leggen ze allebei hieronder uit.

Naamwoordelijk gezegde

Zoals je weet, staat er in een zin met een naamwoordelijk gezegde geen lijdend voorwerp. In zo’n zin is het antwoord op de vraag ‘wie/wat + gezegde + onderwerp?’ niet het lijdend voorwerp, maar het naamwoordelijk deel van het gezegde.

Bijvoorbeeld:
* Stan is voor mij te lief geweest.

Het werkwoordelijk deel van het gezegde is ‘is geweest’. Omdat het belangrijkste werkwoord (‘geweest’) een koppelwerkwoord is, staat in deze zin een naamwoordelijk gezegde. Het onderwerp van de zin is ‘Stan’. Het naamwoordelijk deel van het gezegde is ‘te lief’. Dit is antwoord op de vraag ‘wie/wat is Stan geweest?’.

Nu naar het meewerkend voorwerp. Als je de vraag invult voor deze zin, kun je dus niets invullen bij het lijdend voorwerp. Wel hoort bij het gezegde nu ook het naamwoordelijk deel.

De vraag voor het meewerkend voorwerp wordt: ‘Aan/voor wie is Stan te lief geweest?

Antwoord: voor mij.
In deze zin is ‘voor mij’ dus het meewerkend voorwerp.

Je ziet dat je hier ook zonder lijdend voorwerp tot een goed antwoord op de vraag komt.

naamwoordelijk gezegde zin

Lijdende zin

Soms staat een zin in de lijdende vorm. Dat betekent dat het onderwerp van de zin niets actiefs doet.

Kijk maar:
* Het huiswerk wordt gemaakt.

Je kunt een lijdende zin gemakkelijk herkennen. Ten eerste staat er altijd een vorm van ‘worden’ in. Ten tweede doet het onderwerp niets actiefs.

In een zin in de lijdende vorm zit nooit een lijdend voorwerp. Toch kan er wel een meewerkend voorwerp in zitten.


Bijvoorbeeld:
* Voor hem wordt een grote taart gemaakt.

Het gezegde van de zin is ‘wordt gemaakt’.
Het onderwerp (antwoord op de vraag: ‘Wie/wat wordt gemaakt?’) is ‘een grote taart’.
Het lijdend voorwerp is in deze zin niet aanwezig.

Nu het meewerkend voorwerp. We maken de vraag: Aan/voor wie wordt een grote taart gemaakt?

Je ziet dat het geen probleem is om van de vraag een correct Nederlandse zin te maken. En je krijgt er ook nog een antwoord op: ‘Voor hem’.

Ook al zit er geen lijdend voorwerp in deze zin, er is dus wel een meewerkend voorwerp.

lijdende zin herkennen

Het meewerkend voorwerp en de gebiedende wijs

Weet je nog wat het betekent als een zin in de gebiedende wijs staat? De zin geeft dan een bevel weer.

Een voorbeeld van de gebiedende wijs:
* Maak voor hem even iets lekkers klaar.

Een zin in de gebiedende wijs heeft geen onderwerp. Je vraagt je misschien af wat dat met het meewerkend voorwerp te maken heeft.

Als je die vraagt wilt beantwoorden, moet je weer even terughalen welke vraag je stelt om het meewerkend voorwerp te vinden.

Dat was: ‘Aan/voor wie/wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?’

Maar hoe zit het als de zin geen onderwerp heeft? Kun je dan het meewerkend voorwerp nog wel vinden?

Ja, dat kan. Je past dan een simpel trucje toe. Voeg aan de gebiedende wijs het woordje ‘jij’ toe.

Bijvoorbeeld:
* Maak voor hem even iets lekkers klaar.

wordt dan:
* Maak jij voor hem even iets lekkers klaar?

De zin wordt dan een vraagzin, maar dat maakt niets uit.

Nu wordt het weer veel makkelijker om de zin te ontleden. Het gezegde van de zin is ‘Maak klaar’. Dit is een werkwoordelijk gezegde. Er staat geen onderwerp in de zin. Let op: je hebt zelf wel een onderwerp in de zin gezet, maar die staat niet in de eigenlijke zin. Het lijdend voorwerp is ‘iets lekkers’. Stel nu de vraag voor het meewerkend voorwerp:

Aan/voor wie maak jij iets lekkers klaar?

Antwoord: voor hem.
In deze zin is ‘voor hem’ dus het meewerkend voorwerp.

Je hebt dus alleen het woordje ‘jij’ aan de zin toegevoegd om makkelijker het lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp te vinden.

Meewerkend voorwerp oefenen

Als je het meewerkend voorwerp wilt oefenen, is het slim om eerst de stappen vooraf te zetten. Je kunt natuurlijk ook werken met het plaatje in je hoofd, waar we het eerder in deze blog over hadden.

Het beste is om allebei de manieren te onthouden. Je controleert dan de ene methode door ook de andere te gebruiken.

Oefenen lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp groep 8

Zit jij in groep 8? Oefen dan eens met de opdracht hieronder.
Je zoekt per zin niet alleen het meewerkend voorwerp, maar ook het gezegde, het onderwerp en het lijdend voorwerp.

Ook als je in groep 7 zit, mag je de oefening natuurlijk maken.

Opdracht 1

Schrijf van de volgende zinnen alle gevraagde zinsdelen op.
De antwoorden van deze opdracht vind je onderaan de pagina.

  1. 1. De meester overhandigde de leerling een moeilijk proefwerk.

    Persoonsvorm: ____________________

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: _______________________

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? ________________

    Onderwerp: ______________________

    Lijdend voorwerp: ________________________

    Meewerkend voorwerp: _______________________

  2. 2. Het voetbalteam overhandigde de trofee aan de trotse trainer.

    Persoonsvorm: ____________________

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: _______________________

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? ________________

    Onderwerp: ______________________

    Lijdend voorwerp: ________________________

    Meewerkend voorwerp: ________________________

  3. 3. Heb jij haar eerder gezien?

    Persoonsvorm: ____________________

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: _______________________

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? ________________

    Onderwerp: ______________________

    Lijdend voorwerp: ________________________

    Meewerkend voorwerp: ________________________

  4. 4. Aan alle familieleden werd een mooie kaart gestuurd.

    Persoonsvorm: ____________________

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: _______________________

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? ________________

    Onderwerp: ______________________

    Lijdend voorwerp: ________________________

    Meewerkend voorwerp: ________________________

  5. 5. Dat heb jij aan hem verteld.

    Persoonsvorm: ____________________

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: _______________________

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? ________________

    Onderwerp: ______________________

    Lijdend voorwerp: ________________________

    Meewerkend voorwerp: ________________________

  6. 6. Aan de deur stonden twee lieve meisjes.

    Persoonsvorm: ____________________

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: _______________________

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? ________________

    Onderwerp: ______________________

    Lijdend voorwerp: ________________________

    Meewerkend voorwerp: ________________________

  7. 7. Ga voor je konijn eens voer halen.

    Persoonsvorm: ____________________

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: _______________________

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? ________________

    Onderwerp: ______________________

    Lijdend voorwerp: ________________________

    Meewerkend voorwerp: ________________________

  8. 8. Voor het huis werkte haar opa in de tuin.

    Persoonsvorm: ____________________

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: _______________________

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? ________________

    Onderwerp: ______________________

    Lijdend voorwerp: ________________________

    Meewerkend voorwerp: ________________________

Antwoorden opdracht 1

  1. 1. De meester gaf de leerling een moeilijk proefwerk.

    Persoonsvorm: gaf

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: gaf

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? Werkwoordelijk, want het belangrijkste werkwoord (‘gaf’) is geen koppelwerkwoord.

    Onderwerp: De meester

    Lijdend voorwerp: een moeilijk proefwerk

    Meewerkend voorwerp: de leerling

  2. 2. Het voetbalteam overhandigde de trofee aan de trotse trainer.

    Persoonsvorm: overhandigde

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: overhandigde

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? Werkwoordelijk, want het belangrijkste werkwoord (‘overhandigde’) is geen koppelwerkwoord.

    Onderwerp: Het voetbalteam

    Lijdend voorwerp: de trofee

    Meewerkend voorwerp: aan de trotse trainer

  3. 3. Heb jij haar eerder gezien?

    Persoonsvorm: Heb

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: Heb gezien

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? Werkwoordelijk, want het belangrijkste werkwoord (‘gezien’) is geen koppelwerkwoord.

    Onderwerp: jij

    Lijdend voorwerp: haar

    Meewerkend voorwerp: Staat er niet in, want je krijgt geen antwoord op de vraag: ‘Aan/voor wie/wat heb jij haar gezien?’.

  4. 4. Aan alle familieleden werd een mooie kaart gestuurd.

    Persoonsvorm: werd

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: werd gestuurd

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? Werkwoordelijk, want het belangrijkste werkwoord (‘gestuurd’) is geen koppelwerkwoord.

    Onderwerp: een mooie kaart

    Lijdend voorwerp: Zit er niet in, want deze zin staat in de lijdende vorm.

    Meewerkend voorwerp: Aan alle familieleden

  5. 5. Dat heb jij aan hem verteld.

    Persoonsvorm: heb

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: heb verteld

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? Werkwoordelijk, want het belangrijkste werkwoord (‘verteld’) is geen koppelwerkwoord.

    Onderwerp: jij

    Lijdend voorwerp: Dat

    Meewerkend voorwerp: aan hem

  6. 6. Aan de deur stonden twee lieve meisjes.

    Persoonsvorm: stonden

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: stonden

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? Werkwoordelijk, want het belangrijkste werkwoord (‘stonden’) is geen koppelwerkwoord.

    Onderwerp: twee lieve meisjes

    Lijdend voorwerp: Staat er niet in, want je krijgt geen antwoord op de vraag: ‘Wie/wat stonden twee lieve meisjes?

    Meewerkend voorwerp: Staat er niet in. Het zinsdeel ‘Aan de deur’ begint wel, met ‘aan’, maar geeft een plaats aan. Dan is het dus geen meewerkend voorwerp.

  7. 7. Ga voor je konijn eens voer halen.

    Persoonsvorm: Ga

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: Ga halen

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? Werkwoordelijk, want het belangrijkste werkwoord (‘halen’) is geen koppelwerkwoord.

    Onderwerp: Zit er niet in, want de zin staat in de gebiedende wijs.

    Lijdend voorwerp: voer

    Meewerkend voorwerp: voor je konijn

  8. 8. Voor het huis werkte haar opa in de tuin.

    Persoonsvorm: werkte

    (Werkwoordelijk deel van het) gezegde: werkte

    Is dit een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? Werkwoordelijk, want het belangrijkste werkwoord (‘werkte’) is geen koppelwerkwoord.

    Onderwerp: haar opa

    Lijdend voorwerp: Zit er niet in. Je krijgt geen antwoord op de vraag: ‘Wie/wat werkte haar opa?’.

    Meewerkend voorwerp: Zit er niet in. Het zinsdeel ‘Voor het huis’ begint wel met ‘voor’, maar geeft een plaats aan.

Klaar met de opdrachten over het meewerkend voorwerp?

  1. Heb je alle vragen goed beantwoord? Geweldig! Dan weet jij al heel goed wat het meewerkend voorwerp is. Blijf af en toe eens oefenen, zodat je het niet meer vergeet.

    Lukte het nog niet zo goed? Kijk dan de theorie nog eens door. Snap je iets niet? Vraag iemand om je te helpen
Maaike de Boer

drs. Maaike de Boer is initiatiefneemster van Wijzeroverdebasisschool.nl

Gerelateerde artikelen

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *