Wat zijn zinsdelen? Oefenen en uitleg

Als je een zin gaat ontleden, moet je de zin in zinsdelen verdelen. Maar wat betekent dat eigenlijk? En hoe verdeel je een zin in zinsdelen? In dit artikel vertellen we je precies hoe het zit. Ook krijg je de kans zelf met de stof te oefenen.

Wat zijn zinsdelen?

Zinsdelen zijn woorden of woordgroepjes binnen de zin die bij elkaar horen. Een zinsdeel kan uit 1 woord bestaan, maar ook uit meerdere woorden.

Als je de volgorde van de zin verandert, blijven die woordgroepen altijd bij elkaar. Ieder zinsdeel heeft bovendien zijn eigen taak. 

We geven je een voorbeeld:

  • Joya / gaf / het witte paard / een heerlijk appeltje.

Deze zin is in stukken is verdeeld. Die stukken zijn de zinsdelen. Tussen de zinsdelen staan schuine strepen: de zinsdeelstrepen. Daarmee geef je aan waar een zinsdeel begint en eindigt. 

Ieder zinsdeel heeft dus een eigen taak:

  • Zo is ‘Joya’ degene die iets doet in deze zin.
  • ‘Gaf’ vertelt wát Joya doet. Of deed, in dit geval.
  • ‘Het witte paard’ is degene die een heerlijk appeltje in ontvangst neemt.
  • En ‘een heerlijk appeltje’ vertelt wat Joya aan het witte paard geeft. 

Dat is allemaal leuk en aardig, maar hoe weet je nou welke woorden van een zin bij elkaar horen? Met andere woorden: hoe weet je uit welke zinsdelen een zin bestaat?

Daar hebben we een trucje voor!

Zinsdelen woorden of woordgroepjes

De zinsdeelproef

Om erachter te komen waar de zinsdelen beginnen en eindigen, doe je de zinsdeelproef. Met die proef test je uit welke woorden samen een zinsdeel vormen. We laten je stap voor stap zien hoe die zinsdeelproef werkt. 

Stap 1: zoek de persoonsvorm

De eerste stap die je zet, is simpel: zoek de persoonsvorm van de zin. Die kun je op 3 verschillende manieren vinden:

  1. Je maakt van de zin een vraagzin. De persoonsvorm komt dan meestal vooraan te staan.
  2. Je verandert de tijd. Van tegenwoordige tijd maak je verleden tijd of andersom. De persoonsvorm verandert dan.
  3. Je verandert het getal. Van meervoud maak je enkelvoud of andersom. De persoonsvorm is het enige werkwoord dat verandert.

De persoonsvorm zet je tussen zinsdeelstrepen.

We doen het voor:

  • Danny werkt aan zijn werkstuk. 

In deze zin is ‘werkt’ de persoonsvorm. Als je de zin vragend maakt, komt dat woord vooraan te staan:

  • Werkt Danny aan zijn werkstuk? 

Nu je weet dat ‘werkt’ de persoonsvorm is, kun je die alvast tussen zinsdeelstrepen zetten. Je kunt er ook onder zetten dat dit woord de persoonsvorm (pv) is. Dat is niet verplicht, maar het geeft je wel een duidelijk overzicht. De zin ziet er nu zo uit:

voorbeeldzin

Stap 2: zoek de andere werkwoorden

Soms zitten er meerdere werkwoorden in de zin. Als dat zo is, begin je nog steeds bij de persoonsvorm, maar zet je daarna ook alle werkwoorden apart tussen zinsdeelstrepen.

Let op: ieder werkwoord staat dus in z’n eentje tussen zinsdeelstrepen!

We doen het voor: 

  • Jill wil frietjes komen eten.

De persoonsvorm in deze zin is ‘wil’. Die zetten we alvast tussen strepen.

voorbeeldzin

Maar ook ‘komen’ en ‘eten’ zijn werkwoorden. Ook deze werkwoorden (ww) zet je apart tussen strepen. Dan ziet de zin er zo uit:

voorbeeldzin

Stap 3: alles voor de persoonsvorm is 1 zinsdeel

Stap 3 is ook niet zo moeilijk. Alles wat vóór de persoonsvorm staat, is namelijk ook een zinsdeel.

In de vorige voorbeeldzin staat er maar 1 woord voor de persoonsvorm: ‘Jill’. Maar soms staan er voor de persoonsvorm een heleboel woorden! Toch vormen die samen altijd maar 1 zinsdeel. 

Kijk maar mee:

  • Woensdag om kwart over zeven begint de zangles van Lisa. 

De persoonsvorm is ‘begint’. Die kan dus tussen zinsdeelstrepen:

voorbeeldzin persoonsvorm

Er staan geen andere werkwoorden in de zin, dus stap 2 kunnen we overslaan.

Nu kijken we naar de rest van de zin. Je ziet dat er vóór de persoonsvorm een heleboel woorden staan, namelijk ‘woensdag om kwart over zeven’. Al die woorden horen bij elkaar.

‘Woensdag om kwart over zeven’ is dus 1 zinsdeel. Het geeft aan wanneer de zangles begint. Je zet vóór dit zinsdeel (dus helemaal aan het begin van de zin) een zinsdeelstreep.

voorbeeldzin
1 zinsdeel voor persoonsvorm

Nog een voorbeeld

We laten je nog 1 zin zien voordat we doorgaan naar de volgende stap.

  • Gaan we morgen naar het schoolfeest?

Begin weer met de persoonsvorm. Dat is ‘gaan’. Die zet je dus tussen zinsdeelstrepen.

voorbeeldzin

Er zitten geen andere werkwoorden in de zin.

Nu ga je kijken wat er vóór de persoonsvorm staat. Oh, wacht, de persoonsvorm staat in deze zin helemaal vooraan! Dat betekent dat er in dit geval niets voor de persoonsvorm staat. Dat is mooi, want dan kun je gelijk door naar de volgende stap.

Stap 4: Verander de volgorde van de zin

Stap 4 is wat lastiger. Je hebt nu nog een deel van de zin over. Soms is dat een klein deel, maar regelmatig houd je een heleboel woorden over. Je wilt weten hoe je dat overgebleven deel in stukjes hakt. Om daar achter te komen, ga je kijken welke delen óók voor de persoonsvorm passen.

Maar let op: de zin moet nog steeds kloppen én hij mag niet van betekenis veranderen. 

Stap 4 uitgewerkt

We gaan weer terug naar onze laatste voorbeeldzin:

voorbeeldzin

Stap 1 tot en met 3 hadden we al uitgevoerd. Nu is het tijd voor stap 4: je gaat kijken welke stukjes van de zin óók voor de persoonsvorm passen. Dat is een kwestie van uitproberen. 

Begin altijd direct achter de persoonsvorm. Daar staat het woordje ‘Iris’. Kun je ‘Iris’ voor de persoonsvorm zetten? We proberen het uit:

  • Iris / gaan / en Noah morgen naar het schoolfeest. (fout)

Dit is een rare zin. Die klopt helemaal niet! Dat betekent dat je verder moet kijken. Hoort er misschien nog iets bij het woordje ‘Iris’? Met andere woorden: moet het zinsdeel langer zijn? Ja, dat klopt.

Het zinsdeel is namelijk helemaal nog niet af. Niet alleen Iris gaat naar het schoolfeest, maar Noah ook! Laten we eens kijken wat er gebeurt als we het zinsdeel voor de persoonsvorm wat langer maken:

voorbeeldzin

Kijk, dat is beter. Nu weten we dus dat het deel ‘Iris en Noah’ in z’n geheel 1 zinsdeel is:

voorbeeldzin

Maar hiermee ben je nog niet klaar. Je hebt nog 4 woorden over, waarvan je nog niet weet of ze bij elkaar horen of niet. Om daar achter te komen, doe je weer precies hetzelfde met het overgebleven deel.

Het volgende woord is ‘morgen’. Kun je dat voor de persoonsvorm zetten? Jazeker:

voorbeeldzin

‘Morgen’ geeft als enige aan wanneer het gebeurt en mag daarom in z’n eentje tussen zinsdeelstrepen:

voorbeeldzin

Kijk naar de betekenis

Nu houd je nog 3 woorden over: ‘naar het schoolfeest’. Je zou kunnen gaan uitproberen welke van die 3 woorden samen voor de persoonsvorm passen. Dat kost echter best veel tijd. Je kunt daarom ook iets anders doen: naar de betekenis van de woorden kijken.

De woorden ‘naar het schoolfeest’ geven samen een richting aan. Ze vertellen waar Iris en Noah naartoe gaan. De kans is dus erg groot dat deze 3 woorden samen een zinsdeel vormen. We proberen het uit:

zinsdeel

Ja hoor, dit is een prima zin. Nu weet je dus zeker dat deze 3 woorden bij elkaar horen. Dat betekent dat je nog maar 1 zinsdeelstreep hoeft neer te zetten; helemaal aan het einde van de zin:

zinsdeel

En zo is deze zin helemaal af!

Zinsdeel voor persoonsvorm

Werkbladen Spelling Groep 3 (Gratis)

Werkbladen Spelling Groep 4 (Gratis)

Werkbladen Spelling Groep 5 (Gratis)

Zinsdelen oefenen voorbeeld

Je ziet dat het verdelen van een zin in zinsdelen best wel veel werk is. En het is ook niet supersimpel. Vooral de laatste stap vraagt je volle aandacht.

We doen nog een zin voor, zodat je echt goed begrijpt hoe het zit.

  • De sterke chimpansee gaf een halve banaan aan zijn hongerige broer. 

We beginnen weer bij het begin: zoek de persoonsvorm en de andere werkwoorden. De persoonsvorm is ‘gaf’. Zet ‘gaf’ dus tussen zinsdeelstrepen:

zinsdelen oefenen

Andere werkwoorden zitten er niet in.

Dan kun je dus meteen door naar de volgende stap. Alles wat voor de persoonsvorm staat is ook 1 zinsdeel. Dat betekent dat ‘de’, ‘sterke’ en ‘chimpansee’ bij elkaar horen en samen 1 zinsdeel vormen. Je kunt dus gewoon een streep zetten aan het begin van de zin:

zinsdelen oefenen

En dan nu die lastige laatste stap. Kijk welke stukjes van de zin óók voor de persoonsvorm passen. Dat is een kwestie van uitproberen. 

Je kunt bijvoorbeeld zeggen: 

zinsdelen oefenen

Die zin klopt. Dat betekent dat ‘een halve banaan’ ook een zinsdeel is. Daar kunnen we dus een streep achter zetten:

zinsdelen oefenen

Nu is alleen het laatste stuk nog over. Kijk goed naar de betekenis van dat overgebleven deel. Wat zou een logisch zinsdeel zijn? Juist, het hele stuk! Dan krijg je:

Die laatste woorden horen dus allemaal bij elkaar en vormen samen 1 zinsdeel. De zin komt er uiteindelijk dus zo uit te zien:

zinsdelen oefenen

Taalgevoel

We hebben nu stap voor stap laten zien hoe de zinsdeelproef werkt. Maar vaak kun je ook je eigen taalgevoel wel inzetten om te achterhalen welke woorden met elkaar een zinsdeel vormen. Je doet dat in veel gevallen automatisch goed, omdat je meestal wel ziet welke woorden samen een bepaalde taak hebben.

Maar bij twijfel, of als je taalgevoel een keertje niet zo goed werkt, heb je natuurlijk altijd nog het stappenplan. Dat werkt altijd!

Zullen we het eens uittesten? Probeer uit de volgende zin maar eens de zinsdelen te halen, zonder dat je de zinsdeelproef doet. Daarna controleren we samen of het je gelukt is.

Dit is de zin:

  • Olga kocht bij de bakker een overheerlijk broodje kaas. 

Uit welke zinsdelen bestaat deze zin volgens jou? Schrijf de zin desnoods over, met de zinsdeelstrepen op de plekken die volgens jou goed zijn.

Laten we samen eens kijken welke zinsdelen er in deze zin zitten. We doen dat nu aan de hand van het stappenplan, als een soort extra check.

Eerst zoeken we de persoonsvorm en de andere werkwoorden. De persoonsvorm is ‘kocht’. ‘Kocht’ is dus een zinsdeel. Andere werkwoorden zitten er niet in. Dan krijg je:

  • Olga / kocht / bij de bakker een overheerlijk broodje kaas. 
               
    pv

Vervolgens kijken we naar alles wat voor de persoonsvorm staat. Dat is ook 1 zinsdeel. In dit geval staat daar maar 1 woord: Olga. Dit stuk vertelt wie iets doet

Nu alleen nog husselen

En als laatste husselen we de woorden door elkaar en kijken we welke nieuwe zinnen we kunnen vormen. 

De eerste zin die we kunnen maken, is:

zinsdelen husselen

Dat betekent dat ‘bij de bakker’ een zinsdeel is. Dit zinsdeel geeft aan waar Olga haar broodje kaas heeft gekocht. De oorspronkelijke zin ziet er nu zo uit:

  • Olga / kocht / bij de bakker / een overheerlijk broodje kaas. 

De andere zin die we met deze woorden kunnen maken, zónder dat de betekenis verandert, is: 

  • Een overheerlijk broodje kaas / kocht / Olga / bij de bakker. 

Dus ook de woorden ‘een overheerlijk broodje kaas’ vormen samen een zinsdeel. Om precies te zijn het zinsdeel dat aangeeft wat Olga gekocht heeft!

En zo hebben we deze zin helemaal in zinsdelen verdeeld. Had jij ze allemaal gevonden met behulp van je taalgevoel? 

Als dat niet zo is, hoef je je daarover helemaal geen zorgen te maken. Je hebt altijd nog het stappenplan van de zinsdeelproef. Dat kun je bij iedere zin gebruiken. 

taalgevoel zinsdeel achterhalen

Ook interessant:

Zinsdelen oefenen

Als je een zin goed in zinsdelen wilt kunnen verdelen, is het belangrijk dat je veel oefent. Hieronder staan alvast wat oefeningen waarmee je aan de slag kunt. De antwoorden vind je onderaan de pagina.

Heb je nog vragen over het verdelen van een zin in zinsdelen? Laat het ons dan weten.

Veel succes met oefenen!

Oefening 1

Verdeel de zinnen in zinsdelen. Werk met dit stappenplan:

  • Zoek de persoonsvorm (pv). Zet die tussen strepen.
  • Zet alle andere werkwoorden (ww) tussen strepen.
  • Alles voor de persoonsvorm is 1 zinsdeel. Zet daar een streep voor.
  • Verander de volgorde van de zin. Kijk welk deel ook voor de persoonsvorm past.

Voorbeeld:

oefening 1 voorbeeld
  1. De   vriendelijke   jongen   stuurde   zijn   buurmeisje   een   kaart.
  2. Benny   heeft   in   de   dierentuin   gewerkt.
  3. Lana   zou   op   een   hondenschool   willen   werken.
  4. Vorig   jaar   liep   de   oude   man   een   marathon.
  5. In   de   zee   zwemmen    vele   vissen.

Oefening 2

Verdeel de zinnen in zinsdelen.

  1. Deze   computerspelletjes   heeft   Nick   vorige   week   gekocht.
  2. Werken   mieren   altijd   hard?
  3. In   de   stad   werken   tegenwoordig   erg   veel   mensen.
  4. Carly   heeft   haar   voetbalschoenen   moeten   repareren.
  5. In   de   zestiende   eeuw   woonde   in   dit   kasteel   een   edelman.

Antwoorden oefening 1

antwoorden oefening 1

Antwoorden oefening 2

Judith Kimenai, BEd

Judith was jarenlang docente Nederlands en (tweetalig) biologie binnen het voortgezet onderwijs. Tijdens haar onderwijscarrière was ze naast docente ook een bevlogen brugklasmentor en intern begeleider. Tegenwoordig is Judith freelance tekstschrijfster en richt ze zich voornamelijk op de educatieve sector.

Gerelateerde artikelen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.