Wat is een werkwoord? Uitleg over werkwoorden en oefenen

Een werkwoord is een woord dat aangeeft wat je doet. Met andere woorden: een werkwoord geeft een activiteit aan, zoals lopen, fietsen, rennen, springen en maken. Over werkwoorden is echter nog veel meer te vertellen. Dat doen we in dit artikel!

Bovendien krijg je aan het einde van dit artikel de kans om je kennis over werkwoorden te testen. Als jij de opdrachten maakt en nakijkt met behulp van het antwoordmodel, weet je straks precies hoe het met die kennis gesteld is. En heb je daarna nog vragen? Schroom niet het ons te laten weten!

Bekijk ook:

Wat is een werkwoord?

Zoals we eerder in dit artikel aangaven, is een werkwoord een woord dat aangeeft wat je doet. Veel werkwoorden zijn makkelijk te herkennen. Ze geven heel duidelijk informatie over de activiteit die iemand aan het doen is.

Denk maar aan:

  • rennen
  • springen
  • vallen
  • knutselen
  • paardrijden
  • gamen

Toch zijn niet alle werkwoorden even goed herkenbaar als je alleen naar deze eigenschap kijkt.
Dit zijn ook werkwoorden, terwijl ze veel minder duidelijk een activiteit aangeven:

  • gaan
  • twijfelen
  • bedenken
  • beheersen
  • zijn
  • hebben

Daarom is het handig om nog wat meer over werkwoorden te weten.

Werkwoorden kun je vervoegen. Dat betekent dat je ze in verschillende vormen kunt gebruiken. Welke vorm je gebruikt, hangt af van de persoon die de handeling uitvoert en van de tijd waarin de zin staat.

Laten we als voorbeeld eens kijken naar het werkwoord dansen. De vervoegingen van dat werkwoord zien er als volgt uit:

werkwoorden uitleg

Je ziet dus dat werkwoorden in verschillende vormen voor kunnen komen.

Tot nu toe hebben we deze kenmerken voor werkwoorden:

• Ze geven aan welke activiteit of handeling in de zin centraal staat.
• Je kunt een werkwoord vervoegen.

Nu vertellen we je in welke vorm werkwoorden in een zin kunnen voorkomen. Werkwoorden zijn namelijk op verschillende manieren onder te verdelen.

Wat is een werkwoord

Persoonsvorm, voltooid deelwoord en infinitief

De eerste verdeling die we maken kent 3 verschillende soorten werkwoorden:

Deze verdeling is handig als je op zoek bent naar de juiste spelling van de werkwoorden. Want voor iedere werkwoordsoort gelden andere spellingsregels.

De persoonsvorm (pv)

In een volledige Nederlandse, enkelvoudige zin is een persoonsvorm (link naar artikel over pv) altijd aanwezig. Als een zin maar 1 werkwoord heeft, weet je dus al dat dat werkwoord een persoonsvorm is.

Een paar voorbeeldzinnen, waarin de persoonsvormen dik gedrukt zijn:

  • Dieke tennist iedere dinsdag.
  • Lotte hockeyt graag.
  • Vorige week bakte Jules een taart.
  • Wil jij wel chocola?

Andere zinnen hebben meer dan 1 werkwoord. Dan is de persoonsvorm het werkwoord dat het verst vooraan in de zin staat.

Je kunt de persoonsvorm ook op andere manieren herkennen:

• Als je de zin vragend maakt, komt de persoonsvorm meestal vooraan te staan. Dit geldt niet voor zinnen die al beginnen met een vraagwoord, zoals waar, wanneer, waarom, enz..

Voorbeeld:

  • Cyrill eet kaas.
  • Eet Cyrill kaas?

De persoonsvorm is eet, want bij de vraagzin staat hij vooraan.

Voorbeeld 2:

  • Waar woont Joep?

Deze zin is al een vraagzin. Je kunt dit trucje voor deze zin dus niet toepassen.

• Als je de zin in een andere tijd zet, verandert de persoonsvorm. Van tegenwoordige tijd maak je verleden tijd en van verleden tijd maak je tegenwoordige tijd.

  • Waar woont Joep?
  • Waar woonde Joep?

We hebben deze zin in de tegenwoordige tijd vervangen door dezelfde zin in de verleden tijd. Het enige woord dat verandert, is woont. Woont is dus de persoonsvorm.

• Als je het onderwerp (link artikel onderwerp) van de zin van getal verandert, verandert de persoonsvorm ook.

Bijvoorbeeld:

  • Hij werkt hard.
  • Wij werken hard.

Je ziet dat het onderwerp van de eerste zin enkelvoud is (hij). Dat onderwerp hebben we in de tweede zin veranderd naar een meervoudsvorm (wij). Het woord dat mee is veranderd, is de persoonsvorm. In dit geval gaat het dus om werkt uit de eerste zin. Persoonsvormen zijn altijd werkwoorden. Andersom geldt dat niet: niet ieder werkwoord is een persoonsvorm. Er zijn ook nog andere mogelijkheden.

Het voltooid deelwoord (volt. dw.)

Een werkwoord kan ook een voltooid deelwoord zijn. Dat is een woord dat vertelt wat er eerder gebeurd is. Een voltooid deelwoord staat meestal ergens achteraan in de zin. Het eindigt altijd op een -t, een -d of op -en.

Een paar voorbeeldzinnen, waarin de persoonsvorm dik gedrukt is en het voltooid deelwoord cursief.

  • Gisteren hebben wij een kitten gekocht.
  • We hebben haar Miesje genoemd.
  • Miesje is al op muizenjacht geweest.
  • Ze heeft nog niet op de kattenbak gezeten.

Let op: Niet in iedere zin zit een voltooid deelwoord.

De infinitief of hele werkwoord (inf.)

Tenslotte kan een werkwoord een infinitief zijn. Dat is hetzelfde als een heel werkwoord. Een infinitief of heel werkwoord eindigt bijna altijd op -en. Ook infinitieven staan meestal ergens achteraan in de zin. Soms staan er zelfs meerdere achter elkaar. Er zijn ook zinnen zonder infinitief.

Een paar voorbeelden. De persoonsvormen zijn steeds dik gedrukt en de infinitieven cursief.

  • Morgen wil ik een nieuwe game kopen.
  • Daarna ga ik de game de hele middag spelen.
  • Van mijn ouders mag ik niet zoveel gamen.
  • Die willen liever met mij gaan wandelen.

In de laatste zin zijn een paar opvallende dingen aan de hand. Ten eerste staan er in die zin 2 infinitieven. Allebei zijn ze achteraan in de zin te vinden.

Ten tweede lijkt de persoonsvorm ook op een infinitief. Toch is dat woord geen infinitief, omdat het al een persoonsvorm is. Hij verandert immers als je de tijd van de zin verandert.

Werkwoorden soorten

Zelfstandig werkwoord, hulpwerkwoord en koppelwerkwoord

Zojuist heb je gelezen dat je alle werkwoorden kunt verdelen in 3 groepen: persoonsvormen, voltooid deelwoorden en infinitieven. Er zijn echter ook andere manieren om werkwoorden onder te verdelen.

Zo kun je alle werkwoorden ook in deze groepen verdelen:

  • zelfstandige werkwoorden
  • hulpwerkwoorden
  • koppelwerkwoorden

Deze verdeling maak je als je alle woorden in de zin een naam moet geven bij het taalkundig ontleden. (link artikel taalkundig ontleden)

Zelfstandig werkwoord (zww)

Iedere enkelvoudige zin heeft in principe 1 zelfstandig werkwoord, tenzij er een koppelwerkwoord in staat. Over de koppelwerkwoorden vertellen we je verderop meer. Voor nu is het goed genoeg om te weten dat iedere zin altijd een zelfstandig werkwoord heeft. En dat het zelfstandige werkwoord het belangrijkste is in de zin. Het vertelt het meest over wat iemand doet, gaat doen of heeft gedaan.

Staat er in de zin maar 1 werkwoord? Dan weet je dus dat het een zelfstandig werkwoord is. Staan er 2 of meer in? Dan moet je nog even op zoek. Op dat moment is het handig als je persoonsvormen herkent. Want als er 2 of meer werkwoorden in de zin staan, is de persoonsvorm nooit het zelfstandig werkwoord.

We geven je weer wat voorbeelden.

  • Daisy loopt naar huis.

In deze zin staat maar 1 werkwoord: de persoonsvorm loopt. Verder staan er geen woorden in de zin die een activiteit aangeven. Je weet nu dat loopt een zelfstandig werkwoord is. Er staat immers altijd 1 zww in de zin. Deze zin is dus opgelost!

Bij 2 werkwoorden is het eigenlijk ook niet zo moeilijk om te weten welke van de 2 het zelfstandige werkwoord is. In dat geval is het altijd het werkwoord dat het verst achteraan in de zin staat.

Een persoonsvorm kan namelijk alleen een zww zijn als die persoonsvorm het enige werkwoord in de zin is.

  • Imme werd naar huis gebracht.

In deze zin staan 2 werkwoorden: werd (de pv) en gebracht (een voltooid deelwoord). We weten nu dat het werkwoord achteraan het zelfstandige werkwoord moet zijn. Gebracht dus!

Maar hoe zit het dan in een zin met 3 of meer werkwoorden? Daarin streep je eerst de persoonsvorm weg. Die kan sowieso niet het zelfstandige werkwoord zijn. Daarna kijk je naar de betekenis van de overgebleven werkwoorden. Welke daarvan zegt het meest over wat iemand gaat doen of heeft gedaan?

Een voorbeeld:

Willeke heeft vandaag erg ver moeten fietsen.

Er staan 3 werkwoorden in deze zin: heeft, moeten en fietsen.
Het eerste werkwoord, heeft, is geen zww, want dat is de persoonsvorm. En een persoonsvorm kan alleen een zww zijn als die het enige werkwoord in de zin is.
Dan blijven er nog 2 over: moeten en fietsen.
Welke van de 2 zegt het meest over de activiteit van Willeke? Juist, fietsen. Het werkwoord fietsen is in deze zin dus je zelfstandige werkwoord.

Hulpwerkwoord (hww)

Nu je weet hoe je een zelfstandig werkwoord uit de zin kan halen, is het zoeken naar hulpwerkwoorden niet zo moeilijk meer.

Alle werkwoorden die overblijven in de enkelvoudige zin, zijn hulpwerkwoorden!

Weer wat voorbeelden:

  • Yoshka verkoopt lootjes.

In deze zin staat 1 werkwoord: verkoopt.

Omdat verkoopt het enige werkwoord is in de zin, weten we dat het een zelfstandig werkwoord is.

Moet je daarna nog op zoek naar hulpwerkwoorden? Nee, want er zijn geen werkwoorden meer over! Het enige werkwoord dat aanwezig was, heeft al een naam gekregen.

  • Thomas heeft geen lootjes verkocht.

In deze zin staan 2 werkwoorden: heeft en verkocht.
Het werkwoord verkocht is hier het belangrijkste werkwoord, dus het zelfstandige werkwoord.

Omdat je weet dat er maar 1 zelfstandig werkwoord in een enkelvoudige zin kan staan, weet je nu ook dat het andere werkwoord, de persoonsvorm heeft, een hulpwerkwoord is!

  • Pieter had lootjes willen verkopen.

Nu hebben we te maken met 3 werkwoorden: had, willen en verkopen. Je kunt nu 2 dingen doen:

  1. 1. Eerst zoeken naar het zelfstandige werkwoord. Bedenk daarvoor welk werkwoord het meeste zegt over de activiteit. Dat is verkopen. Het zww is dus verkopen.

Nu je dat weet, weet je ook dat de andere 2 werkwoorden, had en willen, hulpwerkwoorden zijn.

  1. 2. Je kunt ook vooraan beginnen in de zin. Je weet immers dat een persoonsvorm geen zww kan zijn als er meerdere werkwoorden in de zin aanwezig zijn.

Dat betekent dat het werkwoord had een hulpwerkwoord is. Zo’n hulpwerkwoord kun je wegstrepen. Je maakt daarna een nieuwe zin met de overgebleven woorden. De werkwoorden mag je vervoegen.

De nieuwe zin wordt: Pieter wil lootjes verkopen.

Daarmee voer je hetzelfde trucje uit. Ook de nieuwe persoonsvorm, wil, is geen zww, maar een hww.

Daarna houd je er nog 1 over: verkopen. Omdat dit werkwoord als laatste overblijft in deze wegstreepproef, is dat het zelfstandige werkwoord.

Als je in groep 8 zit, kan het zijn dat je meester of juf het koppelwerkwoord behandelt. Informatie over deze werkwoordsoort vind je hieronder. Hoef je het koppelwerkwoord nog niet te kennen? Sla dit stukje dan gerust over!

Koppelwerkwoord (kww)

Als je het zelfstandige werkwoord en de hulpwerkwoorden uit de zin hebt gehaald, is het tijd om te checken of het zelfstandige werkwoord misschien een koppelwerkwoord is. Alleen een zelfstandig werkwoord kan een koppelwerkwoord worden, als het aan een aantal eisen voldoet. Een hulpwerkwoord wordt nooit een koppelwerkwoord. Een koppelwerkwoord is, zoals de naam al zegt, een werkwoord dat iets koppelt. Namelijk het onderwerp en een eigenschap daarvan.

Om je een idee te geven wat we daarmee bedoelen, geven we je wat voorbeelden:

  • Naomi is lief.

In deze zin koppelt het werkwoord is 2 delen van de zin met elkaar. Het onderwerp van deze zin is Naomi. Het woordje lief geeft aan wat Naomi is. Het is dus een kenmerk van het onderwerp.

We noemen daarom is in deze zin een koppelwerkwoord.

Nog een voorbeeld:

  • Onze buurman is erg ziek geweest.

Het belangrijkste werkwoord in deze zin is geweest. Dit werkwoord koppelt Onze buurman aan erg ziek.

Je ziet dat het koppelwerkwoord niet tussen deze delen staat, maar het gaat vooral om de betekenis van de zin. De volgorde maakt dus niets uit.

Als je wilt weten of het zelfstandig werkwoord eigenlijk een koppelwerkwoord is, kun je je dus afvragen of er in de zin iets gezegd wordt over het onderwerp. Of er een kenmerk van het onderwerp gegeven wordt.

Als je een foto zou maken van het onderwerp van de zin, dan zou je dat kenmerk kunnen zien. Wanneer je bijvoorbeeld een foto ziet van de buurman uit de voorbeeldzin hierboven, zie je dat hij zich niet lekker voelt.

Bovendien is een koppelwerkwoord altijd een werkwoord uit dit rijtje:

• zijn
• worden
• blijven
• blijken
• lijken
• schijnen
• heten
• dunken
• voorkomen

Als je twijfelt of het zww een koppelwerkwoord is, check dan altijd of het in dat rijtje staat. Als dat niet zo is, is het ook geen koppelwerkwoord. Staat het werkwoord wel in het rijtje én kun je het vervangen door een ander werkwoord uit dat rijtje, dan heb je te maken met een koppelwerkwoord.

Het werkwoord is dan dus geen zww meer, maar een kww. Hier zie je dat zinnen met een kww een uitzondering zijn op de regel dat er altijd een zww in de zin zit.

In het kort moet een koppelwerkwoord aan deze eisen voldoen:

1. Het gaat om het belangrijkste werkwoord in de zin (het zww).
2. Het werkwoord is een vorm van 1 van de 9 koppelwerkwoorden uit het rijtje.
3. Het werkwoord is vervangbaar door een ander koppelwerkwoord uit het rijtje.
4. In de zin staat een kenmerk genoemd van het onderwerp.

We geven nog wat voorbeelden.

man in doktersjas
  • Harun wil dokter worden.
  1. 1. Het belangrijkste werkwoord is worden.
  2. 2. Het werkwoord worden staat in het rijtje van de koppelwerkwoorden.
  3. 3. Je kunt worden vervangen door zijn: Harun wil dokter zijn.
  4. 4. In de zin staat een kenmerk van het onderwerp (Harun), namelijk dat hij dokter wil zijn. Op de foto zie je Harun in z’n doktersjas.

Het werkwoord worden is dus een koppelwerkwoord.

  • De stand is de hele wedstrijd gelijk gebleven.
  1. 1. Het belangrijkste werkwoord is gebleven.
  2. 2. Het werkwoord gebleven staat in het rijtje van de koppelwerkwoorden. Het komt immers af van blijven.
  3. 3. Je kunt gebleven vervangen door geweest: De stand is de hele wedstrijd gelijk geweest.
  4. 4. In de zin staat een kenmerk van het onderwerp (De stand), namelijk dat die gelijk gebleven is. Op de foto zou je een scorebord met 0-0 zien.

Het werkwoord gebleven is in deze zin een koppelwerkwoord.

Let op: het kenmerk van het onderwerp mag niet gaan over de plaats waar het onderwerp zich bevindt. Als dat wel het geval is, heb je geen koppelwerkwoord, maar een zelfstandig werkwoord.

Een voorbeeld:

  • Jitske is bij de kapper.
  1. 1. Het belangrijkste werkwoord is is.
  2. 2. Het werkwoord is staat in het rijtje van de koppelwerkwoorden. Het komt af van zijn.
  3. 3. Je kunt is vervangen door een ander werkwoord uit het rijtje, namelijk blijft.

Toch is het werkwoord is geen koppelwerkwoord, omdat de zin aangeeft waar Jitske is. Het werkwoord is is dus een zelfstandig werkwoord.

rinkelende telefoon

Het scheidbaar samengesteld werkwoord

Heb je wel eens van een scheidbaar samengesteld werkwoord gehoord? Als je niet weet wat dat is, verklapt de naam misschien al iets.

Een scheidbaar samengesteld werkwoord (link naar toekomstig artikel over scheidbare werkwoorden) is een werkwoord dat je gescheiden kunt tegenkomen in een zin. Twee delen zijn dan dus uit elkaar gehaald.

Een goed voorbeeld van een scheidbaar samengesteld werkwoord is opbellen.

In deze zin zie je waarom dit werkwoord tot de bovengenoemde groep hoort:

Jannes belt jou morgen op.

Je ziet dat het werkwoord opbellen in deze zin letterlijk gescheiden, uit elkaar gehaald, is.

Stam werkwoord

Je hebt vast wel eens gehoord van de stam van een werkwoord. Die stam is belangrijk in de werkwoordspelling. Daarom is het ook zo belangrijk dat je weet wat de stam van een werkwoord is en hoe je hem moet vinden.

De stam van een werkwoord is het hele werkwoord min -en.

Dus…

  • de stam van dansen is dans;
  • de stam van werken is werk;
  • en de stam van slurpen is slurp.

Je ziet hier dat de stam heel vaak hetzelfde is als de ik-vorm. Toch zijn er ook werkwoorden waarvan de stam anders is dan de ik-vorm. Tenminste, als je de officiële regel volgt.

Dan krijg je dit:

  • de stam van beloven is dan belov;
  • de stam van verven is verv;
  • en de stam van lopen is lop.

In die gevallen mag je de stam hetzelfde schrijven als de ik-vorm.

  • belov wordt dus beloof;
  • verv wordt verf;
  • lop wordt loop.

Alleen wanneer je de stam gebruikt om de verleden tijd van het werkwoord goed te spellen, gebruik je de officiële regel. Dat heeft alles te maken met de wijze waarop ’t ex-kofschip werkt. (link naar toekomstig artikel werkwoordspelling)

Zwakke werkwoorden

Zwakke werkwoorden zijn werkwoorden die niet van klank veranderen als je er verleden tijd van maakt.

Ook als voltooid deelwoord behouden ze dezelfde klank. Het voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden eindigt altijd op een -d of een -t.
Kijk maar naar deze voorbeelden:

  • verven wordt verfden en geverfd
  • werken wordt werkten en gewerkt
  • fietsen wordt fietsten en gefietst

Als ezelsbruggetje kun je onthouden dat zwakke werkwoorden simpelweg te zwak zijn om hun klinkers te veranderen. Ze blijven dus altijd hetzelfde.

Sterke werkwoorden

Bij sterke werkwoorden werkt dat precies andersom. Die werkwoorden zijn zó sterk, dat ze in de verleden tijd wél een andere klinker krijgen. De voltooid deelwoorden van deze werkwoorden eindigen altijd op -en.

Kijk maar:

  • lopen – liepen – gelopen
  • vallen – vielen – gevallen
  • werpen – wierpen – geworpen

Onregelmatige werkwoorden

Naast sterke en zwakke werkwoorden bestaan er ook onregelmatige werkwoorden. Dat zijn de werkwoorden die een afwijkende verleden tijd of een afwijkend voltooid deelwoord hebben.

Een paar voorbeelden:

  • hebben – hadden – gehad
  • kunnen – konden – gekund

Beide voorbeelden veranderen wel van klank in de verleden tijd, maar het voltooid deelwoord eindigt op een -d en niet op -en. Ze hebben dus zowel kenmerken van een zwak als van een sterk werkwoord.

Samenvattend

Nu je de theorie over de werkwoorden hebt gelezen, zie je dat er nogal wat over deze woordsoort gezegd kan worden. Het meest opvallend zijn toch wel de verschillende onderverdelingen die je kunt maken.

We zetten nog 1 keer alle onderverdelingen voor je op een rijtje.

Je kunt werkwoorden verdelen in de volgende groepen:

persoonsvorm, voltooid deelwoord en infinitief (deze verdeling is vooral belangrijk als je de werkwoorden op de juiste manier wilt spellen);

zelfstandig werkwoord, hulpwerkwoord en koppelwerkwoord (deze onderverdeling is belangrijk als je ieder woord een naam moet geven bij taalkundig ontleden);

sterke, zwakke en onregelmatige werkwoorden (ook handig om te weten als je de werkwoorden correct moet spellen).

In ons artikel over werkwoordspelling (link naar toekomstig artikel) geven we je alle informatie over de spelling van de verschillende werkwoordsoorten.

Heb je nog vragen over werkwoorden? Of wil je iets vertellen over jouw ervaringen met deze bijzondere woordsoort? Laat dan gerust een berichtje achter onder dit artikel.

Wil je oefenen met de werkwoorden? Scroll dan nog even door, want hieronder hebben we een aantal oefeningen voor je op een rijtje gezet. Daarmee leer je de verschillende werkwoordsoorten nog beter herkennen.

En 1 ding weten wij zeker! Ook jij kunt leren de werkwoorden uit elkaar te houden. Oefenen is hier het toverwoord. Vooral als je de theorie moeilijk vindt.

Veel succes met de oefeningen!

Werkwoorden oefenen

Hieronder staat een aantal oefeningen over de werkwoorden. Het gaat steeds vooral om het herkennen van de werkwoordsoorten. De antwoorden vind je onderaan deze pagina.

Opdracht 1

Schrijf op wat voor werkwoorden de dik gedrukte woorden zijn. Kies uit persoonsvorm (pv), voltooid deelwoord (volt. dw.) of infinitief (inf.).

  1. 1. Jop vierde gisteren zijn verjaardag.
  2. vierde = __
  1. 2. Van zijn ouders heeft hij een nieuwe fiets gekregen.
  2. heeft = ___
  3. gekregen = ___
  1. 3. Het liefst had Jop daar de hele dag op willen fietsen.
  2. had = ___
  3. willen = ___
  4. fietsen = ___
  1. 4. Zijn zusjes hadden ook een leuk cadeautje voor hem gekocht.
  2. hadden = ___
  3. gekocht = ___
  1. 5. Zij gaven Jop een nieuw boek.
  2. gaven = ___

Opdracht 2

Haal de werkwoorden uit de zinnen en zet ze bij de juiste werkwoordsoort. Kies uit persoonsvorm, voltooid deelwoord of infinitief.

  1. 1. Kayla zit op paardrijles.
  2. persoonsvorm: ___
  3. voltooid deelwoord: ___
  4. infinitief: ___
  1. 2. Vroeger mocht ze van haar ouders nooit paardrijden.
  2. persoonsvorm: ___
  3. voltooid deelwoord: ___
  4. infinitief: ___
  1. 3. Haar moeder was namelijk wel eens door een paard gebeten.
  2. persoonsvorm: ___
  3. voltooid deelwoord: ___
  4. infinitief: ___
  1. 4. Kayla had in de kleuterklas al een pony willen hebben.
  2. persoonsvorm: ___
  3. voltooid deelwoord: ___
  4. infinitief: ___
  1. 5. Gelukkig zijn haar ouders van gedachten veranderd.
  2. persoonsvorm: ___
  3. voltooid deelwoord: ___
  4. infinitief: ___

Opdracht 3

Wat voor soort werkwoorden zijn de dik gedrukte woorden in deze zinnen? Kies uit: zelfstandig werkwoord (zww) of hulpwerkwoord (hww)?

  1. 1. Benny moet van zijn moeder zijn kamer opruimen.
  2. moet = ___
  3. opruimen = ___
  1. 2. Hij heeft daar helemaal geen zin in.
  2. heeft = ___
  1. 3. Benny wil liever koekjes gaan bakken.
  2. wil = ___
  3. gaan = ___
  4. bakken = ___
  1. 4. Zijn oma heeft hem dat geleerd.
  2. heeft = ___
  3. geleerd = ___
  1. 5. Benny wil later de bakkersopleiding gaan doen.
  2. wil = ___
  3. gaan = ___
  4. doen = ___

Opdracht 4

Haal de werkwoorden uit de zinnen en zet ze bij de juiste werkwoordsoort. Kies uit: zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord.

  1. 1. Vorige week ontsnapten twee kangoeroes uit de dierentuin.
  2. hww: ___
  3. zww: ___
  1. 2. Ze sprongen samen door de winkelstraten van een stad in de buurt.
  2. hww: ___
  3. zww: ___
  1. 3. De kangoeroes werden door vele mensen aangestaard.
  2. hww: ___
  3. zww: ___
  1. 4. Na een paar uur konden verzorgers de dieren vangen.
  2. hww: ___
  3. zww: ___
  1. 5. Ze werden veilig naar hun verblijf gebracht.
  2. hww: ___
  3. zww: ___

Opdracht 5

Let op: Deze opdracht is alleen geschikt voor jou als je de theorie van de koppelwerkwoorden wilt oefenen.

Haal de werkwoorden uit de zinnen en zet ze bij de juiste werkwoordsoort. Kies uit: zelfstandig werkwoord, hulpwerkwoord en koppelwerkwoord.

  1. 1. Al zijn hele leven wil Jimmie profvoetballer worden.
  2. hww: ___
  3. zww: ___
  4. kww: ___
  1. 2. Hij werkt daarom iedere dag aan zijn techniek.
  2. hww: ___
  3. zww: ___
  4. kww: ___
  1. 3. Vorige week ontving hij een brief van de KNVB.
  2. hww: ___
  3. zww: ___
  4. kww: ___
  1. 4. Jimmie was gescout voor het Nederlands jeugdelftal!
  2. hww: ___
  3. zww: ___
  4. kww: ___
  1. 5. Van geluk had hij de hele dag door het huis willen springen.
  2. hww: ___
  3. zww: ___
  4. kww: ___

Antwoorden opdracht 1

  1. 1. vierde = pv
  2. 2. heeft = pv
  3. gekregen = volt. dw.
  1. 3. had = pv
  2. willen = inf.
  3. fietsen = inf.
  1. 4. hadden = pv
  2. gekocht = volt. dw.
  1. 5. gaven = pv

Antwoorden opdracht 2

  1. 1. persoonsvorm: zit
  2. voltooid deelwoord: –
  3. infinitief: –
  1. 2. persoonsvorm: mocht
  2. voltooid deelwoord: –
  3. infinitief: paardrijden
  1. 3. persoonsvorm: was
  2. voltooid deelwoord: gebeten
  3. infinitief: –
  1. 4. persoonsvorm: had
  2. voltooid deelwoord: –
  3. infinitief: willen, hebben
  1. 5. persoonsvorm: zijn
  2. voltooid deelwoord: veranderd
  3. infinitief: –

Antwoorden opdracht 3

  1. 1. moet = hww
  2. opruimen = zww
  1. 2. heeft = zww
  2. 3. wil = hww
  3. gaan = hww
  4. bakken = zww
  1. 4. heeft = hww
  2. geleerd = zww
  1. 5. wil = hww
  2. gaan = hww
  3. doen = zww

Antwoorden opdracht 4

  1. 1. hww: –
  2. zww: ontsnapten
  1. 2. hww: –
  2. zww: sprongen
  1. 3. hww: werden
  2. zww: aangestaard
  1. 4. hww: konden
  2. zww: vangen
  1. 5. hww: zijn
  2. zww: gebracht

Antwoorden opdracht 5

  1. 1. hww: wil
  2. zww: –
  3. kww: worden
  1. 2. hww: –
  2. zww: werkt
  3. kww: –
  1. 3.hww: –
  2. zww: ontving
  3. kww: –
  1. 4. hww: was
  2. zww: gescout
  3. kww: –
  1. 5. hww: kan
  2. zww: –
  3. kww: zijn
Maaike de Boer

drs. Maaike de Boer is initiatiefneemster van Wijzeroverdebasisschool.nl

Gerelateerde artikelen

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *