Naamwoordelijk deel van het gezegde: hoe zit dat?

Een van de lastigste onderdelen van het redekundig ontleden (ook wel zinsontleding genoemd) is het naamwoordelijk deel van het gezegde. In dit artikel besteden we hier uitgebreid aandacht aan.

Zo weet jij straks precies wat een naamwoordelijk gezegde is, hoe je het naamwoordelijk deel van het gezegde vindt én wat koppelwerkwoorden met dit onderdeel te maken hebben.

Het gezegde

Voordat we je uitleggen wat het naamwoordelijk gezegde is en hoe je een naamwoordelijk deel vindt, is het belangrijk dat je weet wat een gezegde is.

Er bestaan 2 soorten gezegdes bij zinsontleding: het werkwoordelijk gezegde en het naamwoordelijk gezegde.

Werkwoordelijk gezegde

Als mensen het over het gezegde hebben, bedoelen ze meestal alle werkwoorden in de zin. Dat klopt ook wel, als je het tenminste over het werkwoordelijk gezegde hebt.

We doen een zin voor:

  • Meike heeft gisteren heel veel snoepjes gegeten.

De werkwoorden zijn ‘heeft’ en ‘gegeten’. Dat betekent dat het werkwoordelijk gezegde van deze zin ‘heeft gegeten’ is.

Je ziet dat de persoonsvorm ook bij het werkwoordelijk gezegde hoort. De persoonsvorm is immers ook een werkwoord.

Als een zin alleen een persoonsvorm bevat (en dus geen andere werkwoorden), bestaat het werkwoordelijk gezegde ook alleen uit de persoonsvorm.

Kijk maar naar deze zin:

  • Paul maakt een reis.

Het enige werkwoord is ‘maakt’, dus het werkwoordelijk gezegde van deze zin is ook ‘maakt’.

Een werkwoordelijk gezegde geeft altijd aan wat iemand doet of ondergaat. Of wat hij al gedaan of ondergaan heeft natuurlijk. Wat doet Paul? Hij maakt een reis.

werkwoordelijk gezegde

Naamwoordelijk gezegde

Sommige zinnen hebben geen werkwoordelijk gezegde, maar een naamwoordelijk gezegde. Dan zegt het gezegde niet wat iemand doet, maar geeft het een eigenschap van iemand weer. Het vertelt dus wat iemand is of wordt.

Bijvoorbeeld:

  • Zeyneb is aardig.

Wat is Zeyneb? Aardig. Zeyneb doet in deze zin niets. Het laatste deel van de zin geeft een eigenschap van het meisje weer; het vertelt iets over Zeyneb.

Als je goed naar deze zin kijkt, zie je misschien wel dat het woordje ‘aardig’ een bijvoeglijk naamwoord is. Want een bijvoeglijk naamwoord geeft een kenmerk van een zelfstandig naamwoord! ‘Zeyneb’ is hier het zelfstandig naamwoord waar het bijvoeglijk naamwoord ‘aardig’ iets over zegt.

Dit bijvoeglijk naamwoord is onderdeel van het naamwoordelijk gezegde. Vandaar dat dit gezegde een naamwoordelijk gezegde heet. In een werkwoordelijk gezegde zitten alleen maar werkwoorden. In een naamwoordelijk gezegde zit, naast werkwoorden, ook altijd een bijvoeglijk of een zelfstandig naamwoord.

naamwoordelijk gezegde

Koppelwerkwoorden

Als een zin een werkwoordelijk gezegde heeft, is het belangrijkste werkwoord uit de zin een zelfstandig werkwoord.

In een zin met een naamwoordelijk gezegde is het belangrijkste werkwoord een koppelwerkwoord. Zo’n koppelwerkwoord koppelt het onderwerp aan een kenmerk van dat onderwerp. Er staat dus nog een deel in de zin dat iets zegt over het onderwerp.
Bijvoorbeeld:

  • Kyra is lief.

Het koppelwerkwoord ‘is’ koppelt ‘Kyra’ aan de eigenschap ‘lief’.

Er bestaan 9 koppelwerkwoorden:

  • zijn
  • worden
  • blijven
  • blijken
  • lijken
  • schijnen
  • heten
  • dunken (in de betekenis van ‘lijken’)
  • voorkomen (in de betekenis van ‘lijken’)

De eerste 3 van dit rijtje (‘zijn’, ‘worden’ en ‘blijven’) zijn de belangrijkste koppelwerkwoorden. De laatste 2 (‘dunken’ en ‘voorkomen’) worden bijna nooit meer gebruikt. Tenminste, niet in de betekenis van ‘lijken’. Die mag je voor nu dan ook vergeten.

In dit rijtje staan alleen de hele werkwoorden (de infinitieven), maar ook de andere vormen van deze werkwoorden kunnen koppelwerkwoorden zijn.

Dat zie je bijvoorbeeld hier:

  • Max wordt later leraar.
  • Hij leek mij aardig.
  • Ik blijf rustig.

Een werkwoord is pas een koppelwerkwoord als het aan al deze eisen voldoet:

  1. Het gaat om het belangrijkste werkwoord in de zin.
  2. Hij staat in het rijtje van de 9 koppelwerkwoorden.
  3. Je kunt hem vervangen door een ander koppelwerkwoord uit het rijtje.
koppelwerkwoord eisen

In dit artikel over werkwoorden leggen we je precies uit wat het verschil is tussen een zelfstandig werkwoord en een koppelwerkwoord. Ook vertellen we je hoe je een zelfstandig werkwoord en een koppelwerkwoord vindt.

koppelwerkwoord

Naamwoordelijke deel van het naamwoordelijk gezegde

Waar een werkwoordelijk gezegde alleen uit werkwoorden bestaat, heeft een naamwoordelijk gezegde 2 onderdelen:

  • het werkwoordelijk deel
  • het naamwoordelijk deel

Het werkwoordelijk deel

Het werkwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden.

Een voorbeeld:

  • Janne had haar hele leven al verpleegster willen worden.

De werkwoorden in deze zin zijn ‘had’, ‘willen’ en ‘worden’.

Je zou nu kunnen denken dat ‘had willen worden’ het werkwoordelijk gezegde is van deze zin. Maar omdat ‘worden’ een koppelwerkwoord is, heb je geen werkwoordelijk, maar een naamwoordelijk gezegde.

Dat kun je overigens ook zien aan de betekenis van de zin. Die geeft niet aan wat Janne doet, maar wat Janne wordt (wil worden in dit geval).

Je kunt het werkwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde dus vergelijken met het werkwoordelijk gezegde van een zin zonder naamwoordelijk gezegde.

wat is het werkwoordelijk deel

Werkwoordelijk deel of werkwoordelijk gezegde?

Dit klinkt best wel ingewikkeld. Om het wat duidelijker te maken, geven we je nog wat voorbeelden.

  • Josh trapte tegen de bal.

In deze zin zie je maar 1 werkwoord: ‘trapte’. ‘Trapte’ is geen koppelwerkwoord, dus deze zin heeft een werkwoordelijk gezegde. Het werkwoordelijk gezegde is ‘trapte’.

  • De bal is rond.

Ook in deze zin zit maar 1 werkwoord: ‘is’. ‘Is’ komt van ‘zijn’ en is in deze zin een koppelwerkwoord. We weten daardoor dat deze zin geen werkwoordelijk gezegde, maar een naamwoordelijk gezegde heeft. Alle werkwoorden in een zin met een naamwoordelijk gezegde noem je samen het werkwoordelijk deel. Het werkwoordelijk deel van deze zin is ‘is’.

Nog een zin:

  • De otter is ziek geweest.

Deze zin heeft 2 werkwoorden: ‘is’ en ‘geweest’. Het belangrijkste werkwoord is ‘geweest’. ‘Geweest’ is hier een koppelwerkwoord. Dat betekent dat ‘is geweest’ in deze zin een werkwoordelijk deel is.

werkwoordelijk deel koppel werkwoord

Het naamwoordelijk deel

Naast het werkwoordelijk deel heeft een zin met een naamwoordelijk gezegde dus ook een naamwoordelijk deel.

Dat deel geeft een kenmerk van het onderwerp van de zin. Het geeft aan wat het onderwerp is of wordt.

Kijk maar mee:

  • Nadia lijkt boos.

Het onderwerp van de zin is ‘Nadia’. Wat is Nadia? Boos. ‘Boos’ is dus het naamwoordelijk deel van het gezegde.

Nog eentje:

  • Joey wil de beste coureur worden.

Het onderwerp is ‘Joey’. Wat wil Joey worden? De beste coureur. ‘De beste coureur’ vertelt ons wat Joey wil worden en is daarom het naamwoordelijk deel.

Let op: een naamwoordelijk deel geeft nooit aan waar of wanneer iets gebeurt.

naamwoordelijk gezegde geeft aan

Werkbladen Werkwoordspelling Groep 7/8 (Gratis)

Werkbladen Spelling Groep 3 (Gratis)

Werkbladen Spelling Groep 4 (Gratis)

Verschillen tussen werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde op een rijtje

Als we alle verschillen tussen het werkwoordelijk en het naamwoordelijk gezegde op een rijtje zetten, ziet dat er zo uit:

Verschillen naamwoordelijk werkwoordelijk gezegde

Naamwoordelijk deel vinden

Als je een naamwoordelijk deel wilt vinden, moet je eerst zeker weten dat de zin een naamwoordelijk gezegde heeft. Dat kun je checken door op zoek te gaan naar het koppelwerkwoord.

Heeft de zin een koppelwerkwoord? Dan is er een naamwoordelijk gezegde. Heeft de zin geen koppelwerkwoord? Dan is er een werkwoordelijk gezegde.

Natuurlijk kun je ook kijken naar de betekenis van de zin. Vertelt die wat het onderwerp doet? Of wat het onderwerp is? In het eerste geval heb je een werkwoordelijk gezegde. In het tweede geval een naamwoordelijk gezegde.

De volgende zin heeft een naamwoordelijk gezegde:

  • Steven en Luuk zijn broers.

Het werkwoordelijk deel is ‘zijn’. Nu moet je nog op zoek naar het naamwoordelijk deel. Daarvoor kun je simpelweg kijken wat er gezegd wordt over het onderwerp. Over Steven en Luuk dus.

Deze zin vertelt ons dat Steven en Luuk broers zijn. Het woordje ‘zijn’ hoort al bij het werkwoordelijk deel. Dan blijft het naamwoordelijk deel over: ‘broers’.

Nog een voorbeeld:

  • Jelsje is de mooiste koe.

‘Is’ is hier het werkwoordelijk deel van het gezegde. Voor het naamwoordelijk deel moeten we op zoek naar een kenmerk van het onderwerp. Wat wordt er over Jelsje verteld? Dat ze de mooiste koe is. ‘De mooiste koe’ is hier het naamwoordelijk deel.

Naamwoordelijk deel of lijdend voorwerp?

Het naamwoordelijk deel lijkt heel erg veel op het lijdend voorwerp. Sterker nog, je kunt het naamwoordelijk deel op dezelfde manier vinden als het lijdend voorwerp!

Om een lijdend voorwerp in de zin te vinden, stel je de vraag: wie/wat + onderwerp + ww. gezegde?

Bijvoorbeeld:

  • Brian wil een berg beklimmen.

In deze zin is ‘wil beklimmen’ het werkwoordelijk gezegde. ‘Brian’ is het onderwerp. Om het lijdend voorwerp te vinden, vraag je: wie/wat wil Brian beklimmen? Het antwoord is ‘een berg’. Dat is dus het lijdend voorwerp.

In de volgende zin werkt het ongeveer hetzelfde:

  • Wiskunde blijft een moeilijk vak.

Omdat ‘blijft’ een koppelwerkwoord is, heb je hier geen werkwoordelijk gezegde, maar een werkwoordelijk deel. Het volledige werkwoordelijke deel is ook ‘blijft’, want er staan geen andere werkwoorden in de zin.

Het onderwerp van deze zin is ‘wiskunde’. Om nu het naamwoordelijk deel te kunnen vinden, stel je dezelfde vraag als wanneer je het lijdend voorwerp zoekt: wie/wat + onderwerp + ww. deel?

Zie je dat ‘ww. gezegde’ hier wel is veranderd naar ‘werkwoordelijk deel’? Verder is de vraag hetzelfde gebleven.

Je moet hier dus vragen: wie/wat blijft wiskunde? Het antwoord is: een moeilijk vak. Het naamwoordelijk deel is dus ‘een moeilijk vak’.

lijdend voorwerp vinden in de zin

Verschil tussen naamwoordelijk deel en lijdend voorwerp

Je vraagt je misschien af hoe je het verschil kunt zien tussen een lijdend voorwerp en een naamwoordelijk deel. Je stelt immers zo’n beetje dezelfde vraag om deze zinsdelen te vinden.

Dat is wel zo, maar het verschil zit ‘m in het soort gezegde dat in de zin staat.

  • Heb je ontdekt dat de zin een werkwoordelijk gezegde heeft? Dan kun je op zoek naar een lijdend voorwerp.
  • In een zin met een naamwoordelijk gezegde zit nooit een lijdend voorwerp, maar altijd een naamwoordelijk deel.

Bovendien weet je intussen dat een naamwoordelijk deel altijd een kenmerk/eigenschap laat zien van het onderwerp. Een lijdend voorwerp doet dat niet.

Kijk nog maar eens naar deze 2 zinnen:

  • Brian wil een berg beklimmen. —> ‘Een berg’ is het lijdend voorwerp en is geen kenmerk van Brian.
  • Jelsje is de mooiste koe. —> ‘De mooiste koe’ is het naamwoordelijk deel en vertelt ons meer over het onderwerp: Jelsje.
naamwoordelijk gezegde lijdend voorwerp

Lees ook:

Naamwoordelijk gezegde oefenen

Als je het naamwoordelijk gezegde goed onder de knie wilt krijgen, kun je het beste regelmatig oefenen. Daarom hebben we hier vast een paar oefeningen onder elkaar gezet.

De antwoorden van de oefeningen staan onderaan de pagina.

Als je nog vragen hebt, mag je het ons natuurlijk altijd laten weten. Want dat het naamwoordelijk gezegde een lastig onderdeel is, is zeker!

Oefening 1

Heeft de zin een werkwoordelijk of een naamwoordelijk gezegde?

Volg de stappen per zin.

Voorbeeld:

Vorige week was Liesje extra lief geweest.

De werkwoorden in deze zin zijn: ‘was’ en ‘geweest’.

Het belangrijkste werkwoord is: ‘geweest’.

Dat is een zww / kww.

Deze zin heeft een werkwoordelijk / naamwoordelijk gezegde.

  1. Martina is naar het strand gelopen.

    De werkwoorden in deze zin zijn: ____________________________

    Het belangrijkste werkwoord is: ____________________________

    Dat is een zww / kww.

    Deze zin heeft een werkwoordelijk / naamwoordelijk gezegde.

  2. Een paard blijft een mooi dier.

    De werkwoorden in deze zin zijn: ____________________________

    Het belangrijkste werkwoord is: ____________________________

    Dat is een zww / kww.

    Deze zin heeft een werkwoordelijk / naamwoordelijk gezegde.

  3. De batterij was bijna leeg.

    De werkwoorden in deze zin zijn: ____________________________

    Het belangrijkste werkwoord is: ____________________________

    Dat is een zww / kww.

    Deze zin heeft een werkwoordelijk / naamwoordelijk gezegde.

  4. Hebben jullie bij Neeltje gelogeerd?

    De werkwoorden in deze zin zijn: ____________________________

    Het belangrijkste werkwoord is: ____________________________

    Dat is een zww / kww.

    Deze zin heeft een werkwoordelijk / naamwoordelijk gezegde.

Oefening 2

  1. Onderstreep het onderwerp en zet er de juiste afkorting onder: ond.
  2. Onderstreep het naamwoordelijk deel van het gezegde en zet er de juiste afkorting onder: nwd. 
  1. Fine is erg aardig.

  2. Mijn moeder is secretaresse.

  3. Die klimmuur lijkt me spannend!

  4. Jouw tekening bleek de winnaar.

Oefening 3

  1. Onderstreep het werkwoordelijk deel en zet er de juiste afkorting onder: wwd.
  2. Onderstreep het naamwoordelijk deel en zet er de juiste afkorting onder: nwd.

Voorbeeld:

voorbeeld oefening
  1. Gisteren   werd   mijn   broertje   ziek.


  2. Mijn   nieuwe   hobby   is   zo   leuk!


  3. De   wedstrijd   is   spannend   gebleven.


  4. Die   jongen   blijkt   familie   te   zijn.

Antwoorden oefening 1

  1. Martina is naar het strand gelopen.

    De werkwoorden in deze zin zijn: ‘is’ en ‘gelopen’.

    Het belangrijkste werkwoord is: ‘gelopen’.

    Dat is een zww / kww.

    Deze zin heeft een werkwoordelijk / naamwoordelijk gezegde.

  2. Een paard blijft een mooi dier.

    De werkwoorden in deze zin zijn: ‘blijft’.

    Het belangrijkste werkwoord is: ‘blijft’.

    Dat is een zww / kww.

    Deze zin heeft een werkwoordelijk / naamwoordelijk gezegde.

  3. De batterij was bijna leeg.

    De werkwoorden in deze zin zijn: ‘was’.

    Het belangrijkste werkwoord is: ‘was’.

    Dat is een zww / kww.

    Deze zin heeft een werkwoordelijk / naamwoordelijk gezegde.

  4. Hebben jullie bij Neeltje gelogeerd?

    De werkwoorden in deze zin zijn: ‘hebben’ en ‘gelogeerd’.

    Het belangrijkste werkwoord is: ‘gelogeerd’.

    Dat is een zww / kww.

    Deze zin heeft een werkwoordelijk / naamwoordelijk gezegde.

Oefening 2 antwoorden

antwoorden oefening 2

Antwoorden oefening 3

antwoorden oefening 3

Judith Kimenai, BEd

Judith was jarenlang docente Nederlands en (tweetalig) biologie binnen het voortgezet onderwijs. Tijdens haar onderwijscarrière was ze naast docente ook een bevlogen brugklasmentor en intern begeleider. Tegenwoordig is Judith freelance tekstschrijfster en richt ze zich voornamelijk op de educatieve sector.

Gerelateerde artikelen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.