Hoofdzin en bijzin: hoe zit dat?

Heb jij wel eens van hoofdzinnen en bijzinnen gehoord? Ze zijn belangrijk als je het hebt over samengestelde zinnen bij taal. En dat is dan weer een onderwerp dat bij ontleden aan bod komt.

In dit artikel leggen we je uit wat het verschil is tussen enkelvoudige en samengestelde zinnen én vertellen we je alles over hoofdzinnen en bijzinnen.

Wat is een enkelvoudige zin?

Voordat we je meer vertellen over hoofdzinnen en bijzinnen is het belangrijk dat je het verschil begrijpt tussen enkelvoudige en samengestelde zinnen. Want een combinatie van hoofd- en bijzinnen komt alleen voor in samengestelde zinnen.

We beginnen onze uitleg bij het begin: wat is een enkelvoudige zin?

Een enkelvoudige zin is meestal een korte zin. Hij heeft maar 1 persoonsvorm. 

Hier zie je wat voorbeelden:

  • Pim heeft zijn boeken gekaft.
  • Cato doet boodschappen in de supermarkt.
  • Gisteren redde de hond een leven. 

Al deze zinnen hebben maar 1 persoonsvorm. Dat kun je weten, omdat er maar 1 werkwoord verandert als je de zinnen in een andere tijd zet:

  • Pim had zijn boeken gekaft.
  • Cato deed boodschappen in de supermarkt.
  • Vandaag redt de hond een leven.

Dat deze zinnen maar 1 persoonsvorm hebben, wil zeggen dat het allemaal enkelvoudige zinnen zijn.

enkelvoudige zin persoonsvorm

Wat is een samengestelde zin?

Een samengestelde zin is meestal een langere zin. Zo’n samengestelde zin heeft, je raadt het al, meer dan 1 persoonsvorm.

Voor het gemak hebben we het in dit artikel alleen over samengestelde zinnen die 2 persoonsvormen hebben. Die met 3 of meer persoonsvormen doen even niet mee.

hoofdzin bijzin samengestelde zin persoonsvorm

Enkelvoudig of samengesteld?

Als je wilt weten of een zin enkelvoudig of samengesteld is, hoef je alleen maar de persoonsvormen te tellen. Je weet waarschijnlijk al dat je op verschillende manieren de persoonsvorm van een zin kunt vinden:

  • Je kunt een vraagzin maken. De persoonsvorm komt dan vooraan te staan.
  • Je kunt de getalproef doen, waarbij je van meervoud enkelvoud maakt of andersom. De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert.
  • Of je doet de tijdproef. Dan maak je van tegenwoordige tijd verleden tijd of andersom. De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert.

Het is verstandig om bij lange zinnen alleen nog maar de tijdproef of de getalproef te gebruiken. Wanneer je een vraagzin maakt, komt namelijk maar 1 persoonsvorm vooraan te staan, terwijl er misschien wel meerdere persoonsvormen in de zin zitten. De andere persoonsvormen vind je niet met deze proef. 

Kijk maar eens naar deze zin:

  • Joes fietst hard, omdat hij niet te laat wil komen. 

Als je van deze zin een vraagzin maakt, krijg je: 

  • Fietst Joes hard, omdat hij niet te laat wil komen? 

Zie je dat? Je vindt zo alleen maar de eerste persoonsvorm. Als je de tijdproef doet, zie je wél dat deze zin 2 persoonsvormen heeft:

  • Joes fietste hard, omdat hij niet te laat wilde komen. 

Er zijn 2 werkwoorden die veranderen, dus dat zijn allebei persoonsvormen!

tijdproef getalproef

De samengestelde zin: waaruit bestaat hij?

Een samengestelde zin is opgebouwd uit 2 (of meer) enkelvoudige zinnen

Kijk maar:

  • Jay let goed op in de les, want hij wil uitvinder worden. 

Deze samengestelde zin bestaat uit 2 even belangrijke enkelvoudige zinnen:

  • Jay let goed op in de les.
  • Hij wil uitvinder worden.

Tussen deze 2 enkelvoudige zinnen is het voegwoord ‘want’ gezet. 

De volgende samengestelde zin bestaat ook uit 2 enkelvoudige zinnen: 

  • Teun werkt graag in de tuin, omdat hij tomaten wil kweken. 

Zodra je het voegwoord ‘omdat’ weghaalt, houd je de volgende enkelvoudige zinnen over: 

  • Teun werkt graag in de tuin.
  • Hij wil tomaten kweken.

Je ziet dat je het tweede deel een beetje moet veranderen om er een goede enkelvoudige zin van te maken. ‘Hij tomaten wil kweken’ is geen goede zin. 

Dat komt omdat deze 2 korte zinnen niet even belangrijk zijn. 1 van de 2 is een hoofdzin en de andere is een bijzin.

Een samengestelde zin heeft altijd 1 hoofdzin. Het andere deel kan een bijzin óf nog een hoofdzin zijn.

Met andere woorden: een samengestelde zin kan bestaan uit:

  • 2 hoofdzinnen
  • 1 hoofdzin en 1 bijzin

Vaak worden die zinnen aan elkaar geplakt door een voegwoord.

samengestelde zin voegwoord

Hoofdzin en bijzin vinden

Als jij moest raden welke van de 2 zinnen het belangrijkst is, zou je dan de hoofdzin of de bijzin kiezen? 

We zullen je verklappen dat de hoofdzin het belangrijkst is. De naam zegt het eigenlijk al: de hoofdzin staat aan het hoofd. 

Maar hoe weet je nu of de verschillende delen van de samengestelde zin hoofdzinnen of bijzinnen zijn? We geven je wat tips.

hoofdzin belangrijker dan bijzin

1. Aanpassen of niet?

Eigenlijk hebben we eerder in dit artikel al laten zien wat je kunt doen om hoofdzinnen en bijzinnen van elkaar te onderscheiden. Je ziet meestal snel welk deel een hoofdzin is en welk deel een bijzin als je van de lange, samengestelde zin 2 korte, enkelvoudige zinnen maakt. 

Als je geen van beide delen hoeft aan te passen om er een goede enkelvoudige zin van te maken, heb je te maken met 2 hoofdzinnen. 

Dat is bijvoorbeeld hier het geval:

  • Maaike voert de kippen, want ze hebben honger. 

Daar maak je van:

  • Maaike voert de kippen.
  • Ze hebben honger. 

Het enige wat je hoeft te doen, is het voegwoord ‘want’ weghalen. De volgorde van de rest van de woorden blijft precies hetzelfde.

Als de samengestelde zin uit een hoofdzin en een bijzin bestaat, is het niet genoeg als je alleen het voegwoord weghaalt. Dan moet je de volgorde van 1 van de 2 korte zinnen ook nog veranderen. 

Kijk maar: 

  • Maaike voert de katten nog niet, omdat ze hun eten nog niet op hebben.

Daar maak je van: 

  • Maaike voert de katten nog niet.
  • Ze hebben hun eten nog niet op.

Zie je dat de volgorde van het tweede deel een beetje anders is dan in de lange, samengestelde zin? Je kunt namelijk niet zeggen:

  • Ze hun eten nog niet op hebben. X

Dat is geen goede Nederlandse zin.

Het tweede deel van deze zin is daarom een bijzin. Zo’n bijzin moet je dus altijd een beetje veranderen als je er een enkelvoudige zin van maakt.

hoofdzin bijzin enkelvoudige zin veranderen

2. Plaats van persoonsvorm en onderwerp

Er is nog een verschil tussen hoofdzinnen en bijzinnen. 

In een hoofdzin staan de persoonsvorm en het onderwerp altijd naast elkaar. In een bijzin staan de persoonsvorm en het onderwerp meestal niet naast elkaar

We laten je deze verschillen weer zien met een voorbeeld. 

  • Terwijl ze huiswerk maakte, draaide Lieke haar favoriete liedje. 

Eerst zoek je de persoonsvormen en onderwerpen van deze samengestelde zin. De persoonsvormen zijn ‘maakte’ en ‘draaide’ en de onderwerpen zijn ‘ze’ en ‘Lieke’. We drukken ze even wat dikker in de zin, zodat goed opvalt waar deze zinsdelen staan ten opzichte van elkaar.

  • Terwijl ze huiswerk maakte, draaide Lieke haar favoriete liedje. 

Nu zie je meteen dat in het eerste deel de persoonsvorm en het onderwerp niet naast elkaar staan. In het tweede deel is dat wel het geval. Daardoor weet je dat deel 1 een bijzin is en deel 2 een hoofdzin.

Nog een voorbeeld:

  • Zodra Eline haar etui pakte, vielen al haar pennen op de grond. 

De persoonsvormen in deze zin zijn ‘pakte’ en ‘vielen’. De onderwerpen zijn ‘Eline’ en ‘al haar pennen’.

  • Zodra Eline haar etui pakte, vielen al haar pennen op de grond. 

Eigenlijk zie je nu meteen wat er aan de hand is. Het eerste deel is een bijzin, want de persoonsvorm en het onderwerp staan niet naast elkaar. 

Het tweede deel is een hoofdzin, want daar staan de persoonsvorm en het onderwerp wél naast elkaar.

3. Persoonsvorm en onderwerp wel naast elkaar

Soms staan in een bijzin de persoonsvorm en het onderwerp wél naast elkaar. In dat geval kun je er gemakkelijk een woord tussen plaatsen. Bijvoorbeeld ‘niet’ of ‘nooit’. Kijk maar:

  • Omdat Thijsje wilde gaan, riep ze haar moeder.

Hier staan de onderwerpen en persoonsvormen in beide zinnen naast elkaar. Kijk maar:

  • Omdat Thijsje wilde gaan, riep ze haar moeder.

Je kunt deze zin wel makkelijk aanpassen. In 1 van de 2 stukken past het woord ‘niet’ tussen de persoonsvorm en het onderwerp:

  • Omdat Thijsje niet wilde gaan, riep ze haar moeder.

Nu weet je dat het eerste deel de bijzin is.

4. Andere verschillen tussen hoofdzinnen en bijzinnen

Naast deze opvallende verschillen tussen hoofd- en bijzinnen zijn er nog wel wat verschillen te benoemen.

  • Een hoofdzin kan zonder bijzin voorkomen. Dat is andersom niet zo: een bijzin kan niet zonder hoofdzin voorkomen. Als een zin enkelvoudig is (en dus maar 1 persoonsvorm heeft), is die zin altijd een hoofdzin.
  • Je kunt een bijzin meestal vervangen door 1 woord. Bij een hoofdzin kan dat niet.

Bijvoorbeeld:

  • Wanneer hij zijn huiswerk maakt, is Ties heel geconcentreerd.

Je kunt het eerste deel van deze zin heel makkelijk vervangen door 1 woord:

  • Dan is Ties heel geconcentreerd.

Het eerste deel is dan ook een bijzin.

Verschil hoofdzin en bijzin samengevat

In het kort zijn er dus verschillende makkelijke manieren om hoofd- en bijzinnen te herkennen. 

HoofdzinBijzin
Hoeft niet aangepast te worden als er een enkelvoudige zin van gemaakt wordt.De woordvolgorde moet aangepast worden om er een goede enkelvoudige zin van te maken.
Onderwerp en persoonsvorm staan altijd naast elkaar.Onderwerp en persoonsvorm staan meestal niet naast elkaar.
Geeft de belangrijkste informatie.Is vervangbaar door 1 woord.

Werkbladen Werkwoordspelling Groep 7/8 (Gratis)

Werkbladen Spelling Groep 4 (Gratis)

Werkbladen Spelling Groep 5 (Gratis)

Hoofdzin en bijzin vinden: voorbeelden

Het is natuurlijk handig als je zelf goed weet hoe je hoofdzinnen en bijzinnen kunt herkennen in een samengestelde zin. Daarom geven we je nu een aantal voorbeelden. Die voorbeelden werken we stap voor stap uit.

De eerste zin:

  • Een slang kan heel goed kruipen, maar hij kan niet lopen.

Dit zijn 2 aan elkaar geplakte hoofdzinnen. Dat zie je goed als je er 2 enkelvoudige zinnen van maakt. Daarvoor hoef je alleen het voegwoord ‘maar’ weg te halen. Dan krijg je:

  • Een slang kan heel goed kruipen.
  • Hij kan niet lopen. 

Zie je dat? Je hoeft nergens de volgorde van de woorden te veranderen. 

Ook als je naar de persoonsvormen en onderwerpen kijkt, zie je dat ze in beide delen naast elkaar staan. En dat je in geen van beide delen het woordje ‘niet’ tussen het onderwerp en de persoonsvorm kunt plaatsen.

Nu geven we je een voorbeeld van een samengestelde zin waarin een hoofdzin en een bijzin zitten:

  • Mo ging naar de voetbaltraining, nadat hij zijn huiswerk had gemaakt. 

Als je hier het voegwoord ‘nadat’ weghaalt, kun je deze 2 enkelvoudige zinnen maken:

  • Mo ging naar de voetbaltraining.
  • Hij had zijn huiswerk gemaakt.

Het eerste deel is een hoofdzin, want daar hoef je niets aan te veranderen. Het tweede deel moet je wel veranderen om er een goede zin van te maken. Dat betekent dat dat deel een bijzin is. Je kunt dat ook zien als je naar de plaats van het onderwerp en de persoonsvorm kijkt. In dit tweede deel staan die 2 zinsdelen niet naast elkaar.

Nevenschikking en onderschikking

Misschien heb je wel eens gehoord van de termen nevenschikking en onderschikking. Die hebben alles te maken met samengestelde zinnen.

Een samengestelde zin die bestaat uit 2 hoofdzinnen noem je een nevenschikking. We leggen je uit waarom: 

‘Neven’ is een oud-Nederlands woord voor ‘naast’. De 2 zinnen waaruit de samengestelde zin bestaat, zijn even belangrijk. Het zijn namelijk 2 hoofdzinnen. Ze staan qua belangrijkheid dus naast elkaar. 

Als de samengestelde zin bestaat uit een hoofdzin en een bijzin, spreek je van een onderschikking. De bijzin is minder belangrijk dan de hoofdzin. Je kunt dan ook zeggen dat de bijzin ondergeschikt is aan de hoofdzin.

hoofdzin bijzin nevenschikking onderschikking

Ook interessant:

Hoofdzin en bijzin oefenen?

Nu je al deze theorie over hoofdzinnen en bijzinnen hebt gelezen, is het goed om zelf een paar oefeningen te maken over dit onderwerp. Dan weet je zeker dat je de stof ook echt begrijpt.

Hieronder vind je een paar opdrachten die je zelf kunt maken. Je kunt het beste deze opdrachten printen, zodat je de zinnen niet hoeft over te schrijven. De antwoorden vind je onderaan de pagina.

Veel succes met oefenen en als je vragen hebt, horen we dat natuurlijk graag!

Oefeningen

Oefening 1

a. Zoek de persoonsvorm(en) van de zinnen en schrijf ze op.
b. Schrijf op of de zinnen enkelvoudig of samengesteld zijn.

  1. Dominique wilde graag op vakantie in Drenthe.

    Persoonsvorm(en): _______________________________________

    Enkelvoudig / Samengesteld

  2. Omdat ze dat zo graag wilde, vroeg ze haar ouders toestemming.

    Persoonsvorm(en): _______________________________________

    Enkelvoudig / Samengesteld

  3. Haar moeder wilde ook naar Drenthe, maar haar vader ging liever naar de Veluwe.

    Persoonsvorm(en): _______________________________________

    Enkelvoudig / Samengesteld

  4. Toen het vakantie werd, stapte de familie in de auto.

    Persoonsvorm(en): _______________________________________

    Enkelvoudig / Samengesteld

  5. Ze gingen eerst naar Drenthe en daarna nog een weekje naar de Veluwe.

    Persoonsvorm(en): _______________________________________

    Enkelvoudig / Samengesteld

Oefening 2

a. Onderstreep de persoonsvormen en de onderwerpen van deze samengestelde zinnen.
b. Kleur hoofdzinnen rood en bijzinnen groen.

1. Nadat Wies naar de kapper was geweest, ging ze bij haar oma langs.

2. Wies gaat graag naar haar oma, omdat ze daar altijd leuke dingen mag doen.

3. Wies speelt het liefst spelletjes, maar taart bakken vindt ze ook leuk.

4. Vandaag neemt Wies een cadeautje mee, want oma is jarig.

5. Omdat haar broertje ziek is, kan hij niet mee naar de verjaardag.

Antwoorden

Antwoorden oefening 1

  1. Dominique wilde graag op vakantie in Drenthe.

    Persoonsvorm(en): wilde

    Enkelvoudig / Samengesteld

  2. Omdat ze dat zo graag wilde, vroeg ze haar ouders toestemming.

    Persoonsvorm(en): wilde, vroeg

    Enkelvoudig / Samengesteld

  3. Haar moeder wilde ook naar Drenthe, maar haar vader ging liever naar de Veluwe.

    Persoonsvorm(en): wilde, ging

    Enkelvoudig / Samengesteld

  4. Toen het vakantie werd, stapte de familie in de auto.

    Persoonsvorm(en): werd, stapte

    Enkelvoudig / Samengesteld

  5. Ze gingen eerst naar Drenthe en daarna nog een weekje naar de Veluwe.

    Persoonsvorm(en): gingen

    Enkelvoudig / Samengesteld

Antwoorden oefening 2

  1. Nadat Wies naar de kapper is geweest,gaat ze bij haar oma langs.
  2. Wies gaat graag naar haar oma,omdat ze daar altijd leuke dingen mag doen.

    3. Wies speelt het liefst spelletjes, maar taart bakken vindt ze ook leuk.

    4. Vandaag neemt Wies een cadeautje mee, want oma is jarig.

    5. Omdat haar broertje ziek is,kan hij niet mee naar de verjaardag.

Judith Kimenai, BEd

Judith was jarenlang docente Nederlands en (tweetalig) biologie binnen het voortgezet onderwijs. Tijdens haar onderwijscarrière was ze naast docente ook een bevlogen brugklasmentor en intern begeleider. Tegenwoordig is Judith freelance tekstschrijfster en richt ze zich voornamelijk op de educatieve sector.

Gerelateerde artikelen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.