Zinsontleding uitleg (+ voorbeelden en een handig schema)

In dit artikel staat alles wat je op de basisschool over zinsontleding moet weten in het kort uitgelegd. Ook vind je filmpjes en links naar uitgebreide artikelen over ontleden en per onderwerpen.

In dit artikel gebruiken we voorbeelden bij de uitleg over zinsontleding. Wil je meer voorbeelden over een bepaald onderwerp? Kijk dan eens naar de filmpjes en naar de uitgebreide artikelen waar we naar verwijzen.

Redekundig ontleden of zinsontleding?

Soms praten mensen over zinsontleding. Andere mensen hebben het over redekundig ontleden. Maar waar hebben ze het eigenlijk over? Redekundig ontleden en zinsontleding zijn verschillende namen voor hetzelfde: je hakt de zin in stukken en geeft die stukken een naam. Zo’n stuk wordt een zinsdeel genoemd. Een zinsdeel bestaat soms uit één woord, maar kan ook uit meerdere woorden bestaan. Bij taalkundig ontleden is dat anders. Daarbij krijgt elk woord van de zin apart een naam. Dit artikel gaat alleen over redekundig ontleden (zinsontleding dus). Op taalkundig ontleden komen we terug in een ander artikel.

Zinsontleding uitleg

We gaan je nu stap voor stap vertellen hoe zinsontleding werkt. We doen dat op de volgorde die de meeste scholen ook aanhouden. Per leerjaar behandelen we de onderdelen die dan uitgelegd worden. Let op: Niet iedere school houdt precies dezelfde volgorde aan. Misschien heb jij iets al in groep 6 geleerd wat een ander kind pas in groep 7 krijgt. De volgorde die we hieronder beschrijven is dan ook een richtlijn.

Zinsontleding groep 5

De meeste kinderen leren in groep 5 de persoonsvorm en het onderwerp kennen.

Persoonsvorm

De persoonsvorm is altijd een werkwoord. Een werkwoord is een woord dat aangeeft wat je doet, zoals ‘eten’, ‘werken’ en ‘huilen’.

Je kunt een persoonsvorm op drie manieren vinden:
1. Je maakt de zin vragend. Bijna altijd komt de persoonsvorm dan vooraan te staan.
2. Je zet de zin in een andere tijd. Van tegenwoordige tijd maak je dan verleden tijd of andersom. De persoonsvorm is het enige woord in de zin dat verandert.
3. Je verandert het getal van de zin. Van meervoud maak je enkelvoud of andersom. De persoonsvorm is het enige werkwoord dat verandert.

Zinsontleding-Persoonsvorm-Vinden

Bijvoorbeeld:

  • Lena en Maria hebben veel katten.

Als je de zin vragend maakt, komt ‘hebben’ vooraan te staan. Dat is dus de persoonsvorm van de zin.

  • Waar kunnen we de uitgang vinden?

Deze zin kun je niet vragend maken, want hij is al vragend. Verander daarom de tijd. Dan krijg je:

  • Waar konden we de uitgang vinden?

Het woord ‘kunnen’ verandert in ‘konden’. ‘Kunnen’ is dus de persoonsvorm.

Als je het aantal van de zin verandert, verandert niet alleen de persoonsvorm, maar ook het onderwerp (zie hieronder de uitleg over dat zinsdeel):

  • Ik heb frietjes gegeten.
  • Wij hebben frietjes gegeten.

Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm. In deze zin is dat dus ‘heb’.

Onderwerp

Het onderwerp geeft aan wie of wat iets doet in de zin.

Bijvoorbeeld:

  • Megan heeft haar nieuwe stiften uitgeprobeerd.

Wie of wat heeft in deze zin iets gedaan? Megan. ‘Megan’ is dus het onderwerp van de zin.
Je kunt ook deze vraag invullen om het onderwerp te vinden: wie of wat + gezegde? Alle werkwoorden uit de zin vormen het gezegde.

Bijvoorbeeld:

  • Charlie voetbalt graag.

Wie of wat voetbalt? Het antwoord is ‘Charlie’. ‘Charlie’ is dus ook het onderwerp van de zin.

Zinsontleding groep 6

In groep 6 leer je meer over het gezegde en over zinsdelen.

Gezegde

Het gezegde is hetzelfde als alle werkwoorden in de zin. De persoonsvorm hoort daar dus ook bij. Toch klopt dat niet helemaal. Als we het over alle werkwoorden in de zin hebben, moeten we eigenlijk spreken van het werkwoordelijk gezegde. Er bestaat ook een naamwoordelijk gezegde. Dat zijn alle werkwoorden plus nog een extra stukje zin: het naamwoordelijk deel. Voor nu is het alleen belangrijk dat je weet dat alle werkwoorden samen het gezegde worden genoemd. Soms zit er maar één werkwoord in de zin; soms zijn dat er meer.

In het volgende voorbeeld is er maar één werkwoord:

  • De hond kauwt op zijn bot.

In deze zin is ‘kauwt’ het enige werkwoord. ‘Kauwt’ is de persoonsvorm, maar dus ook het gezegde.

In deze zin staan meer werkwoorden:

  • Mijntje had haar kamer gisteren willen schilderen.

De persoonsvorm is ‘had’, omdat die vooraan komt te staan als je van de zin een vraagzin maakt.

Het gezegde is ‘had willen schilderen’. Als je het gezegde van een zin moet zoeken, schrijf je dus alle werkwoorden uit die zin op.

Zinsdelen

In groep 6 leer je ook wat zinsdelen zijn. Als je de zin in stukken hakt, heten die stukken zinsdelen. Je kunt ze aangeven door er een verticale streep tussen te zetten. Het is handig om te weten uit welke zinsdelen een zin bestaat, omdat je dan ook weet welk deel van de zin bij bijvoorbeeld het onderwerp of lijdend voorwerp hoort.

Bijvoorbeeld:

  • Yasmine | eet | graag | erwtjes met worteltjes.

Hoe weet je nou welke stukjes van de zin bij elkaar horen? Daarvoor hebben we een stappenplan:

  1. 1. Zoek de persoonsvorm en zet hem tussen strepen.
  2. 2. Zoek de andere werkwoorden en zet die ook allemaal apart tussen strepen.
  3. 3. Kijk welk stuk van de zin al vóór de persoonsvorm staat. Dat is ook een zinsdeel.
  4. 4. Nu ga je kijken welke andere stukken van de zin voor de persoonsvorm kunnen. Alle stukken die je vóór de persoonsvorm kunt zetten, zijn ook aparte zinsdelen.

Bijvoorbeeld:

  • Volgend jaar willen mijn ouders drie weken op vakantie gaan.

Eerst zet je de persoonsvorm en de werkwoorden tussen strepen:

  • Volgend jaar | willen | mijn ouders drie weken op vakantie | gaan.

Het stuk voor de persoonsvorm (Volgend jaar) staat al apart. Daar hoef je dus niets aan te doen.
Nu ga je de zinsdelen verplaatsen. Welke nieuwe zinnen kun je maken?

  • Mijn ouders willen volgend jaar drie weken op vakantie gaan.

Je ziet dat ‘mijn ouders’ ook voor de persoonsvorm kan staan. Dat is dus een zinsdeel:

  • Volgend jaar | willen | mijn ouders | drie weken op vakantie | gaan.

We husselen de zin nog een keer:

  • Drie weken willen mijn ouders op vakantie gaan.

‘Drie weken’ kan voor de persoonsvorm. Dat is dus een zinsdeel:

  • Volgend jaar | willen | mijn ouders | drie weken | op vakantie | gaan.

Ter controle kun je nog kijken of ‘op vakantie’ ook voor de persoonsvorm past:

  • Op vakantie willen mijn ouders volgend jaar drie weken gaan.

Deze zin is misschien niet de meest logische zin, maar hij is wel correct.
Dat betekent dus dat we de zinsdelen nu allemaal hebben:

  • Volgend jaar | willen | mijn ouders | drie weken | op vakantie | gaan.

Zinsontleding groep 7

In groep 7 ga je aan de slag met het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp. Daar vertellen we je nu wat meer over.

Lijdend voorwerp

Het lijdend voorwerp van de zin doet zelf niets. Er wordt iets mee gedaan. Om het lijdend voorwerp te vinden, stel je de vraag: wie of wat + gezegde + onderwerp? Het antwoord op de vraag is je lijdend voorwerp.
Bijvoorbeeld:

  • Gisteren heb ik mijn potlood uitgeleend.

Om de vraag voor het lijdend voorwerp in te vullen, moet ik eerst weten welke delen de persoonsvorm, het gezegde en het onderwerp van de zin zijn.

De persoonsvorm is ‘heb’.
Het gezegde is ‘heb uitgeleend’.
Het onderwerp is ‘ik’. Dat is antwoord op de vraag: wie of wat heeft uitgeleend?

Nu kan ik de vraag stellen om het lijdend voorwerp te vinden: wie of wat heb ik uitgeleend? Antwoord: ‘mijn potlood’. In deze zin is ‘mijn potlood’ dus het lijdend voorwerp. Niet iedere zin heeft een lijdend voorwerp. Kijk dus goed of je een antwoord op de vraag ‘wie of wat + gezegde + onderwerp?’ krijgt.

Meewerkend voorwerp

Na het lijdend voorwerp is het tijd om het meewerkend voorwerp te zoeken. Net als bij het lijdend voorwerp geldt dat niet alle zinnen een meewerkend voorwerp hebben. De vraag die je stelt om het meewerkend voorwerp te vinden is: aan/voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp? Dat lijkt misschien moeilijk te onthouden. Maar als je goed kijkt, zie je dat de vraag maar één stapje langer is dan de vraag van het lijdend voorwerp en twee stapjes langer dan de vraag van het onderwerp. Als je die logische opbouw onthoudt, is het niet zo moeilijk meer. Het meewerkend voorwerp is iemand aan wie iets gestuurd of gegeven wordt, of voor wie iets gemaakt wordt.

Een voorbeeldzin:

  • De vriendelijke vrouw gaf mij een prachtige armband.

We beginnen weer bij het begin.

De persoonsvorm is ‘gaf’.
Het gezegde is ook ‘gaf’, want er zitten geen andere werkwoorden in de zin.
Het onderwerp is ‘De vriendelijke vrouw’, want dat is antwoord op de vraag: wie of wat gaf?
Voor het lijdend voorwerp stellen we de vraag: wie of wat gaf de vriendelijke vrouw? Antwoord: ‘een prachtige armband’.

Nu gaan we op zoek naar het meewerkend voorwerp. Daarvoor stellen we de vraag: aan wie gaf de vriendelijke vrouw een prachtige armband?
Antwoord: ‘mij’.

In deze zin is ‘mij’ dus het meewerkend voorwerp. Let op: als het meewerkend voorwerp in de zin begint met ‘aan’ of ‘voor’, dan hoort dat wordt bij dit zinsdeel. Wil je meer voorbeelden zien van het meewerkend voorwerp? Of ermee oefenen? Bekijk dan het artikel over dit zinsdeel.

Zinsontleding groep 8

In groep 8 leer je niet veel nieuwe zinsdelen meer bij. Sommige scholen vertellen al wat meer over de bijwoordelijke bepaling. Ook ga je heel veel oefenen met zinsontleding.

Bijwoordelijke bepaling

De bijwoordelijke bepaling is het laatste zinsdeel waarnaar je op zoek gaat. Dat heeft een heel groot voordeel: alle zinsdelen die over zijn, zijn bijwoordelijke bepalingen. Heel vaak geeft de bijwoordelijke bepaling een plaats of tijd aan. Dat hoeft overigens niet.Niet in alle zinnen zit een bijwoordelijke bepaling. Anders dan bij andere zinsdelen kunnen er wel meerdere bijwoordelijke bepalingen in één zin zitten.

We geven een voorbeeld:

  • Maandagochtend moet ik rekensommen maken. Je ziet dat ‘Maandagochtend’ aangeeft wanneer iets gebeurt. Dat is dus een bepaling van tijd. Als je die zonder problemen herkent, is dat mooi meegenomen.

Lukt dat niet? Ontleed dan de zin en kijk welke zinsdelen er overblijven nadat je het meewerkend voorwerp hebt gevonden.

Bijvoorbeeld:

  • We kregen drie weken geleden een bekeuring langs de snelweg.

De persoonsvorm is ‘kregen’.
Het onderwerp is ‘We’.
Het lijdend voorwerp is ‘een bekeuring’.
Een meewerkend voorwerp zit niet in de zin.

Nu houden we twee zinsdelen over: ‘drie weken geleden’ en ‘langs de snelweg’. Beide zinsdelen zijn dus een bijwoordelijke bepaling; eentje van plaats en eentje van tijd.

Schema zinsontleding

We zetten nu alle stappen van de zinsontleding voor je op een rijtje. Het is belangrijk dat je bij het ontleden altijd deze volgorde aanhoudt. Daarmee kom je het gemakkelijkst tot de juiste antwoorden.

schema zinsontleding

Zinsontleding oefenen

Nu je de hele theorie hebt gehad, is het tijd om te gaan oefenen. Vind je dat je daar nog niet klaar voor bent? Lees dan de theorie van de onderdelen die je moeilijk vindt nog eens door.

Je kunt ook de uitgebreide artikelen per onderdeel bekijken. Gebruik daarvoor de links.

Wat is zinsontleding?

Zinsontleding betekent dat je de zin in zinsdelen hakt en elk deel een naam geeft. De zinsdelen kunnen uit meerdere woorden bestaan. Een andere naam voor zinsontleding is redekundig ontleden.

Waarom is zinsontleding belangrijk?

Zinsontleding is belangrijk, omdat je zinnen leert begrijpen. Je hoeft echt niet iedere zin te ontleden om een tekst te snappen. Toch snap je sneller wat er met een moeilijke zin bedoeld wordt als je ook iets van ontleden snapt. Bovendien kun je zinsontleding gebruiken als je een nieuwe taal moet leren. Zinnen zijn niet in alle talen hetzelfde opgebouwd. Als jij weet uit welke delen een zin kan bestaan, wordt het begrijpen en gebruiken van de andere taal ook veel makkelijker.

Wanneer beginnen met zinsontleding?

Zoals je in dit artikel hebt gezien, beginnen de meeste scholen al in groep 5 met zinsontleding. Het is echt niet erg als jouw school eerder of later begint. Zinsontleding is niet makkelijk. Daarom is het belangrijk dat je er vaak mee oefent. Hoe vaker je de regels gebruikt, hoe makkelijker het wordt om ze toe te passen.

Maaike de Boer

drs. Maaike de Boer is initiatiefneemster van Wijzeroverdebasisschool.nl

Gerelateerde artikelen

Reacties

14 reacties op “Zinsontleding uitleg (+ voorbeelden en een handig schema)”

  1. Ik leerde op school infinitum en verbum etc. en dan is het toch heel lastig om de ‘Nederlandse’ persoonsvorm en gezegde enz. aan te leren. Maar dit artikel heeft zeker geholpen om mijn kinderen te helpen.

  2. ik zit in groep 8 en ik wil volgend jaar latijn doen op een gymnasium maar ik had nog moeite met ontleden en dit heeft hartstikke veel geholpen

  3. Bij het leren van andere talen is het handig of noodzakelijk voldoende over zinsontleding paraat te hebben, zoals bij de Duolinge cursussen frans en duits. Jullie kernachtige overzicht zet de belangrijkste zaken nog eens netjes en snel op een rij. Voldoende in ieder geval om de cursusuitleg te volgen. Top dus. Bedankt!!

  4. Bedankt voor de fijne uitleg! Het enige wat af en toe storend kon werken waren de verbeteringen die ze zelf (in haar eigen zinnen) maakte tijdens het uitleggen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *