Wat is een infinitief?

Een infinitief is hetzelfde als het hele werkwoord. Voorbeelden daarvan zijn ‘maken’, ‘rennen’, ‘werken’, ‘koken’ en ‘denken’. Dit is natuurlijk de versimpelde uitleg. Er is nog veel meer te vertellen over de infinitief. In dit artikel vind je alles over dit onderwerp. Handig als je aan de slag gaat met werkwoordspelling en ontleden.

Infinitief uitleg

Het eerste en belangrijkste dat je moet weten, is dat de infinitief een werkwoord is. Een woord dat je kunt doen dus.

De infinitief heeft verschillende namen:

  • onbepaalde wijs
  • hele werkwoord
  • woordenboekvorm

Onbepaalde wijs

De eerste naam krijgt de infinitief omdat het een werkwoordsvorm is die niet vervoegd is. De persoonsvorm is dat bijvoorbeeld wel. Kijk maar eens naar het verschil:

  • De hobbyboer maakt appelmoes.
  • De hobbyboer wil appelmoes maken.

In het eerste voorbeeld is ‘maakt’ de persoonsvorm. Het is een vervoegde vorm van ‘maken’.

Stel dat het onderwerp niet ‘de hobbyboer’, maar ‘de hobbyboeren’ was, dan was ‘maakt’ veranderd in ‘maken’. Dat betekent dus dat de vervoeging van de persoonsvorm afhankelijk is van het onderwerp in de zin.

• Is het onderwerp enkelvoud, dan is de persoonsvorm dat ook.
• Is het onderwerp meervoud, dan geldt ook hetzelfde voor de persoonsvorm.

Voor de vervoeging van de persoonsvorm is de hoeveelheid mensen in het onderwerp dus bepaald.

Een infinitief heeft deze eigenschap niet. Die is altijd hetzelfde en niet vervoegd. Dat zie je in het tweede voorbeeld. Of je van het onderwerp nu meervoud maakt of niet, de infinitief blijft hetzelfde:

  • De hobbyboer wil appelmoes maken.
  • De hobbyboeren willen appelmoes maken.

Ook als je de zin in een andere tijd zet, blijft de infinitief onveranderd:

  • De hobbyboer wilde appelmoes maken.

Met alleen een infinitief kun je dus niet bepalen over welke persoon of personen de zin gaat. Ook kun je niet zien in welke tijd de zin staat. Vandaar de naam ‘onbepaalde wijs’.

Heel werkwoord of woordenboekvorm

Wanneer je iemand vraagt een werkwoord te noemen, is de kans groot dat hij een infinitief benoemt. In de Nederlandse taal is een infinitief het hele werkwoord; het werkwoord zoals je dat in het woordenboek zou vinden.

Neem deze voorbeeldzin:

  • De man kuiert langs de weg.

Als je de betekenis van ‘kuiert’ niet kent, kun je die opzoeken in het woordenboek. Maar waar zoek je dan op? Juist, niet op ‘kuiert’. Je zoekt op het hele werkwoord ‘kuieren’. Vandaar dat de naam woordenboekvorm ook niet zo’n gek alternatief is voor de infinitief.

Wat betekent infinitief?

Het woord infinitief stamt af van het Latijnse woord infinitus. Dat betekent ‘onbepaald’ of ‘onbegrensd’.

Zoals je hierboven hebt kunnen lezen, is het eigenlijk heel logisch dat deze werkwoordsvorm juist deze naam heeft gekregen. Aan dit werkwoord kun je niet zien over welke persoon/ personen het gaat in de zin.

Plaats van de infinitief in een zin

Een infinitief staat niet in iedere zin. Als hij er wel in staat, vind je hem vaak aan het einde van de (enkelvoudige) zin. Soms staan er meerdere infinitieven in 1 zin.

We geven wat voorbeelden van zinnen met 1 of meerdere infinitieven:

  • Hond Charlie durft nog niet te zwemmen.
  • Luca wil graag koekjes bakken.
  • Ik zou wel eens willen kamperen!
  • Zijn jullie die escape room nog gaan doen?

Wanneer je te maken hebt met een samengestelde zin, kan de infinitief ook ergens in het midden staan. Maar zoals je weet, bestaat een samengestelde zin eigenlijk uit 2 kortere zinnen.

Zodra je de samengestelde zin weer splitst in 2 enkelvoudige zinnen, zie je dat de infinitieven weer achteraan komen staan.

Enkele voorbeelden:

  • Paul moet eigenlijk hard werken, maar hij is moe.

We hakken deze samengestelde zin eerst in tweeën:

  • Paul moet eigenlijk hard werken.
  • Hij is moe.

In de eerste zin staat wel een infinitief aan het eind van de zin: ‘werken’. In de tweede zin vind je helemaal geen infinitief. Het enige werkwoord in deze zin is de persoonsvorm ‘is’.

Infinitief: zelfstandig werkwoord of hulpwerkwoord?

We krijgen wel eens de vraag of een infinitief een hulpwerkwoord of een zelfstandig werkwoord is. Op die vraag bestaat geen standaard antwoord. Het hangt namelijk volledig van de zin af.

Als je goed wilt begrijpen hoe het werkt met hulp- en zelfstandige werkwoorden, is het handig om te weten dat een enkelvoudige zin altijd 1 zelfstandig werkwoord heeft. De uitzondering van het koppelwerkwoord tellen we voor het gemak even niet mee.

Wanneer een zin meerdere werkwoorden bezit, is de persoonsvorm nooit het zelfstandige werkwoord.

We geven nu wat voorbeelden, waarbij we steeds uitleggen hoe het voor die zin zit met de infinitief.

  • Joni mag haar vader in de tuin helpen.

In deze zin zitten 2 werkwoorden: ‘mag’ en ‘helpen’. ‘Mag’ is de persoonsvorm. Daarvan weten we dat het geen zelfstandig werkwoord kan zijn, omdat er meer dan 1 werkwoord in deze zin zit.

Het werkwoord ‘mag’ is dus een hulpwerkwoord. Het enige werkwoord dat je nu overhoudt, is ‘helpen’. Dat moet dan dus wel een zelfstandig werkwoord zijn.

In deze zin is de infinitief dus een zelfstandig werkwoord.

  • Joni zou haar vader in de tuin willen helpen.

In deze zin zitten 3 werkwoorden: ‘zou’, ‘willen’ en ‘helpen’.
De persoonsvorm is ‘zou’. Dat is automatisch een hulpwerkwoord, omdat in deze zin meer dan 1 werkwoord zit.

Nu heb je nog 2 werkwoorden over: ‘willen’ en ‘helpen’. Dat zijn beide infinitieven. Slechts 1 van die 2 kan een zelfstandig werkwoord zijn. De andere moet dan een hulpwerkwoord zijn.

Als je wilt weten welk infinitief het zelfstandige werkwoord is, bekijk je welke van de 2 het meest zegt over wat Joni doet. Dat is ‘helpen’.

Onze conclusie is dus: ‘helpen’ is een zelfstandig werkwoord en ‘willen’ is een hulpwerkwoord.

Nog een laatste voorbeeld:

  • Joni zou haar vader in de tuin geholpen hebben.

Ook in deze zin staan 3 werkwoorden:

• de persoonsvorm: zou
• het voltooid deelwoord: geholpen
• de infinitief: hebben

Van de persoonsvorm weet je dat het alleen een hulpwerkwoord kan zijn, omdat er meerdere werkwoorden in deze enkelvoudige zin zitten.

Maar hoe zit het dan met de infinitief in deze zin? Is dat een hulpwerkwoord of een zelfstandig werkwoord?

Je kunt deze vraag op dezelfde manier beantwoorden als in het vorige voorbeeld. Kijk welk werkwoord het meeste over Joni’s activiteiten zegt. Dat is ‘geholpen’. Dit werkwoord is daarom het zelfstandige werkwoord.

Dat betekent dat de infinitief een hulpwerkwoord is.

Je kunt ook dit onthouden: wanneer achteraan in de zin een voltooid deelwoord en een infinitief (of 2) staan, is het voltooid deelwoord altijd het zelfstandige werkwoord. Infinitieven zijn dan dus hulpwerkwoorden.

Infinitief zelfstandig werkwoord of hulpwerkwoord?

De schrijfwijze van de infinitief

Het merendeel van alle infinitieven in de Nederlandse taal eindigt op -en. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, zoals ‘slaan’, ‘gaan’ ‘zijn’ en ‘staan’.

Werkwoorden als ‘zien’ en ‘doen’ eindigen feitelijk ook wel op -en, maar toch horen die bij de uitzonderingen. In deze gevallen vormt de -e sa-men met een andere letter een klinker.

Infinitief: werkwoord of zelfstandig naamwoord?

In principe is een in infinitief een werkwoord. Toch kan een infinitief-vorm ook gebruikt worden als zelfstandig naamwoord. Als dat zo is, kan dat woord overal in de zin voorkomen.

Je kunt heel gemakkelijk controleren of je te maken hebt met zo’n zelfstandig naamwoord dat op een werkwoord lijkt. Check of je het lidwoord ‘het’ voor de infinitief kunt plaatsen.

Als de zin daarna nog klopt, gaat het om een zelfstandig naamwoord en niet om een werkwoord.

Met de volgende voorbeelden wordt precies duidelijk wat we bedoelen.

  • Paardrijden is altijd mijn grootste hobby geweest.

Het woord ‘paardrijden’ ziet eruit als een infinitief, maar is het niet. Je kunt namelijk zeggen:

  • Het paardrijden is altijd mijn grootste hobby geweest.

Omdat je hier het woord ‘het’ vóór ‘paardrijden’ kunt plaatsen, is ‘paardrijden’ geen infinitief, maar een zelfstandig naamwoord. Ook de plaats in de zin verraadt dit al.

Nog een voorbeeld:

  • Ik ga graag morgen paardrijden.

In deze zin staat ‘paardrijden’ achteraan. Bovendien kun je er niet zomaar het lidwoord ‘het’ voor zetten. Daarom is ‘paardrijden’ in deze zin wel een infinitief.

Nu nog een moeilijke:

  • Ik houd ontzettend van paardrijden.

We zien dat het woord ‘paardrijden’ achteraan staat. Dat zou kunnen betekenen dat we te maken hebben met een infinitief. Dit controleren we even. We checken of we er het woordje ‘het’ voor kunnen zetten.

  • Ik houd ontzettend van het paardrijden.

Dat kan! De zin komt niet vaak zo voor, maar hij is wel goed. Dat betekent dat ‘paardrijden’ in deze zin geen infinitief is, maar een zelfstandig naamwoord!

Controleer dus altijd goed met het lidwoord ‘het’ hoe het zit!

‘Te + infinitief’ en ‘aan het + infinitief’

In 2 gevallen hoef je niet te twijfelen of het woord een infinitief is of niet. Als voor een werkwoord het woord ‘te’ of de woordgroep ‘aan het’ staat, weet je dat het werkwoord een infinitief is.

Kijk maar:

  • Bas heeft al de hele dag niets te doen.
  • Linda is huiswerk aan het maken.

Je ziet het: in beide zinnen staat het werkwoord achteraan in de zin. Werkwoorden komen alleen voor in combinatie met ‘te’ en ‘aan het’ als het infinitieven zijn.

Let op: soms komen ‘te’ en ‘aan het’ voor in combinatie met andere soorten woorden.

Dat zie je in deze voorbeelden:

  • Wendy hangt het schilderij op aan het muurtje.
  • Deze muziek is echt te gek!

De woorden ‘muurtje’ en ‘gek’ zijn geen werkwoorden. ‘Muurtje’ is een zelfstandig naamwoord en ‘gek’ een bijvoeglijk naamwoord.

Daarom zijn deze woorden geen infinitief. Ook al staan ze achteraan in de zin en staat er ‘te’ of ‘aan het’ voor.

Infinitief of persoonsvorm?

Soms is het ook moeilijk om onderscheid te maken tussen de infinitief en de persoonsvorm.

Kijk maar in de volgende voorbeelden. Alle werkwoorden zijn in dit geval dik gedrukt.

  • Elise wil een grote ronde door het dorp lopen.
  • Elise en Bregje lopen een grote ronde door het dorp.

In de eerste zin zie je dat er 2 werkwoorden in de zin staan: ‘wil’ en ‘lopen’. Als eerste kom je ‘wil’ tegen. Dat is de persoonsvorm. Hij ver-andert immers als je de zin van tijd verandert.

Het werkwoord ‘lopen’ staat achteraan. Daarnaast herkennen we de woordenboekvorm. Het woordje ‘het’ past in deze zin niet voor ‘lopen’. Het woord ‘lopen’ is hier dus een infinitief.

Maar nu het tweede voorbeeld. Daar zie je precies hetzelfde woord staan: ‘lopen’. Zou dat dan ook een infinitief zijn?

Het antwoord op die vraag is ‘nee’. En eigenlijk kun je vrij gemakkelijk zien waarom dat niet zo is. Het werkwoord ‘lopen’ in de tweede zin ver-andert als je de zin van tijd verandert.

Dat betekent dat het geen infinitief is, maar een persoonsvorm die toevallig in de meervoudsvorm staat!

En ondanks dat je een persoonsvorm t.t. in meervoud precies hetzelfde schrijft als een infinitief, is het niet hetzelfde. Het zijn 2 verschillende soorten werkwoorden.

Het is dus belangrijk dat je de werkwoorden op de juiste volgorde uit de zin haalt. Begin altijd bij de persoonsvorm. Pas als je die gevonden hebt, zoek je verder naar de infinitief en het voltooid deelwoord.

Infinitief of persoonsvorm?

Infinitief ingewikkeld?

De infinitief lijkt misschien een ingewikkeld werkwoord. Toch valt dat reuze mee. In 9 van de 10 zinnen zie je zonder moeite of je te maken hebt met een infinitief.

De kunst is om altijd goed naar de plaats van een werkwoord te kijken. Staat het werkwoord achteraan en is het geschreven in de woordenboekvorm? Dan is de kans heel groot dat het om een infinitief gaat.

Je wilt er natuurlijk zeker van zijn dat je straks alle bovenstaande theorie goed snapt. Daarom hebben we hieronder nog wat oefeningen neergezet, inclusief de antwoorden.

Die staan er uiteraard niet direct bij, want dan zou het oefenen wel heel makkelijk worden.

De antwoorden vind je steeds onderaan de pagina.

Als afsluiter hebben we nog een leuk weetje voor je. Wist je dat er ook talen zijn die helemaal geen infinitief kennen? Dat zijn bijvoorbeeld het Grieks, het Roemeens en het Iers.

Maar in het Nederlands zijn ze er dus wel! Lukt het jou altijd om infinitieven goed te herkennen? Laat het ons weten in een reactie!

Oefeningen infinitief

Hieronder vind je wat opdrachten die te maken hebben met de infinitief. Maak de opdrachten en kijk ze daarna na met de antwoorden onderaan de pagina.

Opdracht 1

Zoek in de onderstaande zinnen de infinitieven.

  1. Daan moet morgen zijn kamer opruimen.

Infinitief: ____________________

  1. Daar heeft hij helemaal geen zin in.

Infinitief: ____________________

  1. Zijn ouders wilden het hem vorige week al laten doen.

Infinitief: ____________________

  1. Toen is Daan een paar dagen weg geweest.

Infinitief: ____________________

  1. Daan gaat zijn broer Gijs om hulp vragen.

Infinitief: ____________________

  1. Dan kunnen ze samen de kamer opruimen.

Infinitief: ____________________

  1. Gijs weigert hem te helpen.

Infinitief: ____________________

  1. Morgen is Daan dus al het werk alleen aan het doen.

Infinitief: ____________________

Opdracht 2

Is het onderstreepte woord in de onderstaande zinnen een infinitief of een zelfstandig naamwoord?

  1. Kletsen is echt mijn ding.

Kletsen: _________

  1. Ik zou het de hele dag kunnen doen.

kunnen: _________

doen: _________

  1. Het liefst ben ik altijd aan het praten.

praten: _________

  1. Maar van de juf op school moet ik ook wel eens opletten.

opletten: _________

  1. Aan werken ben ik minder verslaafd.

werken: _________

  1. Ik vind opletten gewoon minder leuk.

opletten: _________

Opdracht 3

Zijn de onderstreepte woorden in de onderstaande zinnen een infinitief of een persoonsvorm?

  1. Max Verstappen gaat steeds vaker grote wedstrijden winnen.

winnen: _________

  1. Hij en zijn team werken hard voor die overwinningen.

werken: _________

  1. Zijn trouwe fans reizen hem altijd achterna.

reizen: _________

  1. Zij willen het liefst overal bij zijn.

willen: _________

zijn: _________

  1. Komende winter zijn Max en zijn team weer heel hard aan het trai-nen.

zijn: _________

trainen: _________

  1. Dan zouden ze in het volgende seizoen weer voor vele overwinningen kunnen gaan.

kunnen: _________

gaan: _________

Opdracht 4

Tot welke groep behoren de onderstreepte woorden?
Kies uit: infinitief, persoonsvorm of zelfstandig naamwoord.

  1. Vliegen vindt Katja al haar hele leven eng.

Vliegen: _________

  1. Terwijl ze het liefst reizen over de hele wereld zou willen maken.

willen: _________

maken: _________

  1. Haar ouders stimuleren haar reislust enorm.

stimuleren: _________

  1. Werken in het buitenland vinden ze een goed idee.

Werken: _________

vinden: _________

  1. Katja is daarom nu al geld aan het sparen voor haar toekomstige reizen.

sparen: _________

reizen: _________

Antwoorden oefeningen infinitief

Antwoorden opdracht 1

  1. Daan moet morgen zijn kamer opruimen.

Infinitief: opruimen

  1. Daar heeft hij helemaal geen zin in.

Infinitief: –

  1. Zijn ouders wilden het hem vorige week al laten doen.

Infinitief: laten doen

  1. Toen is Daan een paar dagen weg geweest.

Infinitief: –

  1. Daan gaat zijn broer Gijs om hulp vragen.

Infinitief: vragen

  1. Dan kunnen ze samen de kamer opruimen.

Infinitief: opruimen

  1. Gijs weigert hem te helpen.

Infinitief: helpen

  1. Morgen is Daan dus al het werk alleen aan het doen.

Infinitief: doen

Antwoorden opdracht 2

  1. Kletsen is echt mijn ding.

Kletsen: zelfstandig naamwoord

  1. Ik zou het de hele dag kunnen doen.

kunnen: infinitief

doen: infinitief

  1. Het liefst ben ik altijd aan het praten.

praten: infinitief

  1. Maar van de juf op school moet ik ook wel eens opletten.

opletten: infinitief

  1. Aan werken ben ik minder verslaafd.

werken: zelfstandig naamwoord

  1. Ik vind opletten gewoon minder leuk.

opletten: zelfstandig naamwoord

Antwoorden opdracht 3

  1. Max Verstappen gaat steeds vaker grote wedstrijden winnen.

winnen: infinitief

  1. Hij en zijn team werken hard voor die overwinningen.

werken: persoonsvorm

  1. Zijn trouwe fans reizen hem altijd achterna.

reizen: persoonsvorm

  1. Zij willen het liefst overal bij zijn.

willen: persoonsvorm

zijn: infinitief

  1. Komende winter zijn Max en zijn team weer heel hard aan het trai-nen.

zijn: persoonsvorm

trainen: infinitief

  1. Dan zouden ze in het volgende seizoen weer voor vele overwinningen kunnen gaan.

kunnen: infinitief

gaan: infinitief

Antwoorden opdracht 4

  1. Vliegen vindt Katja al haar hele leven eng.

Vliegen: zelfstandig naamwoord

  1. Terwijl ze het liefst reizen over de hele wereld zou willen maken.

willen: infinitief

maken: infinitief

  1. Haar ouders stimuleren haar reislust enorm.

stimuleren: persoonsvorm

  1. Werken in het buitenland vinden ze een goed idee.

Werken: zelfstandig naamwoord

vinden: persoonsvorm

  1. Katja is daarom nu al geld aan het sparen voor haar toekomstige reizen.

sparen: infinitief

reizen: zelfstandig naamwoord

Maaike de Boer

drs. Maaike de Boer is initiatiefneemster van Wijzeroverdebasisschool.nl

Gerelateerde artikelen

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *