Werkwoordspelling schema basisschool (PDF) met oefenen

Bij werkwoordspelling gaat het om het het correct spellen van, je raadt het al, werkwoorden. We geven je in dit artikel een handig werkwoordspelling schema.

Veel kinderen doen werkwoordspelling op gevoel. Ze kiezen voor de spelling die het mooiste staat. Toch is dat niet altijd de beste manier. Is het bijvoorbeeld gebeurt of gebeurd?

Beide vormen kunnen goed zijn. Welke je moet gebruiken, hangt af van het soort werkwoord waarmee je te maken hebt.

Uitleg werkwoordspelling schema

In dit artikel vertellen we je alles wat je moet weten over de werkwoordspelling. We geven je uitleg en voorzien je daarnaast van een superhandig werkwoordspelling schema!

Vind jij werkwoordspelling nog lastig? Lees dan gauw verder!

werkwoordspelling soort werkwoord

Als je nu denkt dat je de werkwoordspelling nooit gaat leren, dan heb je het mis. De hele werkwoordspelling kun je namelijk samenvatten in een schema.

Leer dat schema uit je hoofd en je hebt het grootste deel van het werk al gedaan. Je hoeft het dan alleen nog maar toe te passen!

Regels werkwoordspelling schema

De belangrijkste regel voor de werkwoordspelling is dat je stap voor stap werkt. De eerste stap is dat je weet welk soort werkwoord je moet spellen. 

Daarvoor is het van belang dat je de verschillende soorten werkwoorden goed uit elkaar kunt houden.

Het gaat om:

Wil je met al die soorten werkwoorden nog eens oefenen? Lees dan onze blog over werkwoorden nog een keer door.

Voor de spelling van de persoonsvorm gebruik je andere regels dan voor die van het voltooid deelwoord of het infinitief.

  • Voor de persoonsvorm tegenwoordige tijd ga je uit van de ik-vorm en kijk je of er nog iets achter moet.
  • Voor de persoonsvorm verleden tijd gebruik je ’t ex-kofschip.
  • Voor het voltooid deelwoord gebruik je ook ’t ex-kofschip.
  • De infinitief schrijf je als het hele werkwoord.

Hieronder leggen we je deze regels wat uitgebreider uit.

ekijk ook:

Werkwoordspelling schema persoonsvorm invullen

Laten we beginnen bij het begin: de persoonsvorm. De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin van tijd of getal verandert. Ook komt het vaak vooraan te staan als je de zin vragend maakt.

De eerste vraag die je jezelf moet stellen als je een persoonsvorm moet spellen is: is het een tegenwoordige of een verleden tijd?

Voor beide vormen gebruik je namelijk verschillende regels.

werkwoordspelling schema verleden tijd

Persoonsvorm tegenwoordige tijd

Voor de juiste spelling van de persoonsvorm tegenwoordige tijd moet je eerste de stam of ik-vorm van het werkwoord vinden.

Officieel vind je de stam door van het hele werkwoord -en af te halen. Kijk maar:

  • De stam van werken is werk.
  • De stam van dansen is dans.
  • De stam van golfen is golf.

Toch krijg je, als je deze regel volgt, soms een heel gekke stam:

  • De stam van redden zou dan redd zijn.
  • De stam van lopen wordt dan lop.
  • De stam van verven is dan verv.

Als je een persoonsvorm in de tegenwoordige tijd moet spellen, mag je altijd van de stam de ik-vorm maken.

  • Redd wordt red.
  • Lop wordt loop.
  • Verv wordt verf.

Kortom: voor de spelling van de persoonsvorm tegenwoordige tijd zoek je altijd eerst de ik-vorm. Die ik-vorm schrijf je eerst op.

Daarna ga je kijken of er nog iets achter de ik-vorm moet komen. Daarvoor moet je weten om wie het gaat in de zin. Met andere woorden: wat is het onderwerp van de zin?

De verschillende onderwerpen kun je als volgt samenvatten:

Enkelvoud:

  • ik
  • jij/je/u
  • hij/zij/ze/het

Meervoud:

  • wij/we
  • jullie
  • zij/ze

Natuurlijk staan er ook wel eens andere onderwerpen in de zin. Maar als je goed kijkt, passen ze altijd in 1 van bovenstaande groepjes.

  • Hari en Jussef hebben de grootste lol samen.

Hari en Jussefstaan niet in het rijtje. Ze passen echter wel bij de meervoudsvorm zij/ze (meervoud). Daarmee kun je namelijk naar deze twee jongens verwijzen.

  • Karina doet niet meer mee.

Ook Karina is niet in het rijtje te vinden. Maar het verwijswoord dat erbij hoort wel: dat is zij. Voor Karina gebruik je dus dezelfde regels als voor zij/ze (enkelvoud).

Nu gaan we eens kijken welke regels bij al die verschillende personen horen.

Persoonsvorm tegenwoordige tijd (t.t.) meervoud

Is het onderwerp meervoud? Dan is het supersimpel: je schrijft het hele werkwoord als persoonsvorm.

Kijk eens naar deze opdracht, waarbij je de juiste vorm van vinden in moet vullen:

  • Dani en Wietze ______ (vinden t.t.) elkaar erg aardig.

De persoonsvorm is hier meervoud, omdat het gaat om 2 kinderen: Dani en Wietze. Dat is hetzelfde als zij/ze (meervoud).

Over moeilijke regels hoef je je nu geen zorgen te maken. Je schrijft gewoon het hele werkwoord op:

  • Dani en Wietze vinden elkaar erg aardig.

In het schema ziet dat er zo uit:

schema werkwoordspelling meervoud

persoonsvorm meervoud

Persoonsvorm tegenwoordige tijd enkelvoud: ik

Nu gaan we verder met de persoonsvormen in het enkelvoud.

Ook als het onderwerp ik is, zijn de spellingregels van de persoonsvorm niet lastig. Je krijgt dan simpelweg de ik-vorm.

Stel, je krijgt deze oefening, waarbij je de juiste vorm van hebben in moet vullen:

  • Ik ____ (hebben t.t.) me vergist.

Het onderwerp van deze zin is ik. Nu weet je dat je hier alleen de ik-vorm van hebben op moet schrijven: heb dus!

werkwoordspelling schema

Persoonsvorm tegenwoordige tijd enkelvoud: jij/je/u

Als het onderwerp van de zin je of jij is, zijn er twee mogelijkheden:

  • Je of jij staat voor de persoonsvorm.
  • Je of jij staat achter de persoonsvorm.

We geven van allebei een voorbeeld:

  • Jij hebt veel voetbalplaatjes! (jij voor de pv)
  • Heb jij veel knikkers? (jij achter de pv)

Zie je het verschil in de schrijfwijze van de persoonsvorm?

Als je of jij voor de persoonsvorm staat, schrijf je eerst de ik-vorm op en plak je er nog een -t achteraan.

Als je of jij achter de persoonsvorm staat, schrijf je alleen de ik-vorm op.

Controleer bij het onderwerp je wel altijd even of er niets meer bij je hoort, zoals in deze zin:

  • Maakt je broer die mooie schilderijen?

Het onderwerp van deze zin is niet je, maar je broer. Voor de schrijfwijze van de persoonsvorm kijk je dan naar de regels die horen bij hij en niet naar die van je/jij.

Bij het onderwerp u schrijf je altijd de ik-vorm met een -t erachter. Het maakt niet uit of u voor of achter de pv staat.

schema werkwoordspelling

Persoonsvorm tegenwoordige tijd enkelvoud: hij/zij/het

De persoonsvorm tegenwoordige tijd kan ook nog bij een onderwerp horen in de categorie hij/zij/het.

Zoals we al eerder aangaven, horen daar ook namen van andere personen bij, zolang ze maar enkelvoud zijn.

Ook nu geldt dat je begint met de ik-vorm. Als je weet dat het onderwerp bij hij/zij/het hoort, is de regel niet zo moeilijk: er komt een -t achter de ik-vorm.

Een paar voorbeelden:

  • Maurice _________ (werken t.t.) altijd erg hard.

Nadat je de ik-vorm werk hebt opgeschreven, check je wat het onderwerp is: Maurice. Maurice is een hij. Daarom schrijf je achter werk nog een -t.

De uitkomst wordt dan:

  • Maurice werkt erg hard.

Nog een voorbeeld:

  • Die beste man _______ (worden t.t.) al 95 jaar.

De ik-vorm is word. Het onderwerp is Die beste man. Dat is hetzelfde als hij. Achter word schrijf je dus nog een -t:

  • Die beste man wordt al 95 jaar.

We werken het schema weer bij.

schema werkwoordspelling

Schrijf je -t of -dt in de tegenwoordige tijd?

Heel vaak hoor je wel of er achter de persoonsvorm tegenwoordige tijd nog een -t moet worden geplakt. Toch is dat niet altijd het geval. Wanneer een ik-vorm op een -d eindigt, kun je niet horen of er een -t achter staat of niet.

Kijk maar:

  • Brand spreek je hetzelfde uit als brandt.
  • Hetzelfde geldt voor meld en meldt.

Werk dus altijd stap voor stap. Kijk welk onderwerp er bij de persoonsvorm hoort en bepaal aan de hand daarvan of je er nog een -t achter moet schrijven.

Een andere truc die je hier kunt toepassen is deze: vervang de persoonsvorm door een werkwoord waarvan de ik-vorm niet op een -d eindigt, bijvoorbeeld fietsen.

Het maakt niet uit of de zin dan niet meer klopt qua betekenis. Het gaat hier alleen om de spelling. Als je achter de ik-vorm fiets geen -t hoort in de zin, krijgt de ik-vorm die op een -d eindigt ook geen extra -t.

We geven je wat oefenzinnen met daaronder de uitleg:

  • ______ (melden t.t.) jij je even bij je mentor?

Omdat het woord dat je in moet vullen een persoonsvorm tegenwoordige tijd is, schrijf je sowieso eerst de ik-vorm op: Meld.

Daarna ga je kijken wat het onderwerp van de zin is. Dat is jij. Bij jij moet je altijd alert zijn: staat het woord jij voor of achter de persoonsvorm?

In deze zin staat jij achter de pv. Dat betekent dat je geen extra -t krijgt.

En weet je nog? Je kunt dit ook nog even checken met het werkwoord fietsen. Vervang melden door fietsen en je krijgt dit:

  • Fiets jij je even bij je mentor?

Er komt geen -t achter de ik-vorm van fietsen, dus ook niet achter Meld.

De juiste uitkomst is dus:

  • Meld jij je even bij je mentor?

We doen nog een voorbeeld.

  • Ik ________ (redden t.t.) me wel!

Het gaat weer om een persoonsvorm tegenwoordige tijd, dus je schrijft eerst weer de ik-vorm op. Dat is red.

Nu ga je weer kijken wat het onderwerp van de zin is: Ik. Dan weet je meteen dat je klaar bent! Bij het onderwerp ik schrijf je alleen de ik-vorm op en die heb je al. De zin moet dus als volgt worden aangevuld:

  • Ik red me wel!

Voordat we verder gaan nog 1 laatste voorbeeld:

  • Hij ______ (branden t.t.) zijn vinger aan een kaars.

Ook als je hier een vorm van fietsen invult, hoor je een -t:

  • Hij fietst zijn vinger aan een kaars.

Die zin slaat qua betekenis helemaal nergens op natuurlijk, maar dit trucje is wel een handige manier om te weten hoe het zit met de persoonsvorm tegenwoordige tijd! Nog een laatste tip om te onthouden: de uitgang -dt komt alleen voor bij de persoonsvorm tegenwoordige tijd.

werkwoord op -dt

Persoonsvorm verleden tijd: klankvast werkwoord

Een zin kan natuurlijk ook in de verleden tijd (v.t.) staan. Voor die persoonsvormen gelden heel andere regels dan voor een persoonsvorm in de tegenwoordige tijd.

Zodra je weet dat een zin in de verleden tijd staat, moet je je afvragen of de persoonsvorm klankvast of klankveranderend is.

Bij een klankvast werkwoord blijft de klinker hetzelfde als je hem in de verleden tijd zet. Bijvoorbeeld:

  • maken wordt maakten
  • rennen wordt renden
  • snikken wordt snikten

Bij klankvaste werkwoorden in de verleden tijd begin je hetzelfde als bij de persoonsvorm tegenwoordige tijd: je schrijft de ik-vorm (de stam) op.

Daarna ga je kijken of de laatste letter van de stam 1 van de medeklinkers van ’t ex-kofschip is. Dat zijn dus de letters t, x, k, f, s, ch en p. De klinkers tellen niet mee.

Als dat het geval is, schrijf je achter de ik-vorm -te of -ten. De uitgang -te komt erachter als het onderwerp enkelvoud is. Je krijgt -ten als het onderwerp meervoud is.

Is de laatste letter van de stam géén medeklinker van ’t ex-kofschip, dan schrijf je -de of -den achter de stam. Ook hier geldt dat -de hoort bij enkelvoud en -den bij meervoud.

We geven weer wat voorbeelden:

  • Marieke ______ (maken v.t.) gisteren spaghetti klaar.

Schrijf eerst de stam op. Dat is maak.

Vervolgens kijk je naar de laatste letter van de stam, de –k. De –k is 1 van de medeklinkers van ’t ex-kofschip. Dat betekent dat je -te of -ten als uitgang krijgt.

Nu kijk je om wie het gaat in deze zin, dus wat het onderwerp is. Dat is Marieke. Marieke is enkelvoud. Conclusie: de uitgang is -te, zonder -n dus.

  • Marieke maakte gisteren spaghetti klaar.

Het volgende voorbeeld:

  • De hongerige kat _______ (loeren v.t.) naar het vogeltje.

Je weet dat dit een klankvaste persoonsvorm is die in de verleden tijd moet worden ingevuld. Daarom kun je eerst de ik-vorm opschrijven. Dat is loer.

Kijk nu naar de laatste letter van die stam. Dat is een -r. Die -r zit niet in ’t ex-kofschip. Dat betekent dat deze persoonsvorm -de of -den als uitgang krijgt. Schrijf daarom alvast -de op, zodat je daar niet meer over hoeft na te denken.

Om te weten of die -n er nog achteraan moet, kijk je naar het onderwerp. Dat is De hongerige kat. Enkelvoud dus. Je hoeft geen -n meer toe te voegen.

De uitkomst is:

  • De hongerige kat loerde naar het vogeltje.
werkwoordspelling schema verleden tijd

Stam of ik-vorm?

Om te weten of je als uitgang -de(n) of -te(n) krijgt bij een persoonsvorm verleden tijd, moet je dus ’t ex-kofschip gebruiken.

De regel is dat je kijkt naar de laatste letter van de stam. Als die in de medeklinkers van ’t ex-kofschip zit, krijg je -te(n).

Zoals je in het begin van dit artikel al hebt kunnen lezen, is de stam van een werkwoord soms net een beetje anders dan de ik-vorm.

  • De echte stam van lopen is lop en niet loop.
  • De echte stam van verven is verv en niet verf.

Voor de juiste spelling van de persoonsvorm verleden tijd schrijf je wel altijd eerst de ik-vorm op. Toch gebruik je daarna voor ’t ex-kofschip de laatste letter van de stam, en niet die van de ik-vorm.

Heel vaak zijn die twee letters hetzelfde en maakt het dus niet uit welke je gebruikt.

Soms zijn die letters echter niet hetzelfde. Kijk maar:

uitleg kofschip

regel van ’t ex-kofschip stam

Een voorbeeld:

  • Vele auto’s _______ (razen v.t.) voorbij.

Eerst schrijf je de ik-vorm op: raas.

Daarna kijk je naar de laatste letter van de echte stam (raz). Zit die in ’t ex-kofschip? Nee. Je krijgt daarom -de(n) als uitgang. En dus niet -te(n), ondanks dat de laatste letter van de ik-vorm wél in ’t ex-kofschip zit.

Vele auto’s is meervoud, dus dit is de uitkomst:

  • Vele auto’s raasden voorbij.

Dubbele -d / -t of enkele -d / -t?

Of een persoonsvorm verleden tijd een dubbele of een enkele -d/ -t krijgt, hangt af van de ik-vorm van het werkwoord.

Alleen als de ik-vorm eindigt op een -d of een -t, kun je een dubbele letter krijgen. Kijk maar:

  • Margje redde een puppy uit de sloot.

De ik-vorm van redden is red. Die eindigt al op een -d. Daar komt nog de achter, omdat de -d niet in ’t ex-kofschip zit. Je krijgt dan dus een dubbele -d.

  • Coen zette heerlijke koffie

De ik-vorm van zetten is zet. Die eindigt op een -t. Daar komt nog -te achter, omdat de -t in ’t ex-kofschip zit. Ook zette krijgt hier dus een dubbele medeklinker.

Persoonsvorm verleden tijd: klankveranderend werkwoord

Als je te maken hebt met een klankveranderend werkwoord, is de spelling meestal niet zo moeilijk. Je schrijft dan op wat je hoort. Het enige waar je op moet letten is dat de meervoudsvorm op een -n eindigt.

Bijvoorbeeld:

  • Dex en Yoni _______ (vallen v.t.) elkaar in de armen.

Vallen is een klankveranderend werkwoord. De verleden tijd van val is viel. Je hoeft nu alleen nog maar even te controleren of het onderwerp enkelvoud of meervoud is.

Dex en Yoni is meervoud. In plaats van viel schrijf je daarom vielen op:

  • Dex en Yoni vielen elkaar in de armen.
verleden tijdklankverandering werkwoordspelling

Overige regels werkwoordspelling

We hebben nu het volledige schema van de spelling van de persoonsvorm behandeld.

Zoals je weet, zijn er buiten persoonsvormen nog andere werkwoorden: de voltooid deelwoorden en de infinitieven.

Ook voor deze 2 woordsoorten gelden weer aparte regels. Nu je het schema van de persoonsvorm kent, zijn die niet meer zo moeilijk.

De spelling van het voltooid deelwoord

Een voltooid deelwoord is een werkwoord dat aangeeft dat iets gebeurd is.

Bijvoorbeeld:

  • Maik is van zijn fiets gevallen.

Het woord gevallen is in deze zin een voltooid deelwoord. Niet in iedere zin zit een voltooid deelwoord.

Een voltooid deelwoord eindigt meestal op 1 van deze 3 manieren:

  • op -t
  • op -d
  • op -en

Het voltooid deelwoord: klankveranderende werkwoorden

Klankveranderende werkwoorden eindigen als voltooid deelwoord op -en. 

Een voorbeeld:

  • Joes heeft een halve marathon gelopen.

Het voltooid deelwoord gelopen komt van het werkwoord lopen. Lopen is klankveranderend; als je het in de verleden tijd zet, verandert de klank. Lopen wordt liepen.

Dit betekent dat de uitgang van dit voltooid deelwoord -en moet zijn. Een voltooid deelwoord kan nooit alleen op een -e eindigen.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen op deze regel. Bijvoorbeeld het werkwoord gaan. De verleden tijd van gaan is gingen. Het is dus een klankveranderend werkwoord.

Dat zou betekenen dat het voltooid deelwoord van gaan op -en moet eindigen. Dat is echter niet zo: het voltooid deelwoord van gaan is gegaan.

We noemen het werkwoord gaan een onregelmatig werkwoord. Het volgt namelijk niet de normale regels. 

Het voltooid deelwoord van een klankveranderend werkwoord eindigt (bijna) altijd op -en

Het voltooid deelwoord: klankvaste werkwoorden

Als je te maken hebt met een klankvast werkwoord, eindigt het voltooid deelwoord op een -d of een -t. Net als bij de persoonsvorm verleden tijd gebruik je ’t ex-kofschip om erachter te komen welke van de 2 het moet zijn.

Bijvoorbeeld:

  • Jette en Roos hebben de hele dag ___________ (spelen volt. dw.)

Je voelt waarschijnlijk al wel aan welk woord hier moet komen te staan. Maar of je nu gespeeld of gespeelt schrijft, weet je misschien nog niet.

Daarvoor gebruik je ’t ex-kofschip. De kofschipregel werkt bij het voltooid deelwoord eigenlijk hetzelfde als bij de persoonsvorm verleden tijd.

Zit de laatste letter van de stam erin, dan eindigt het voltooid deelwoord op een -t. Zit hij er niet in, dan eindigt het werkwoord op een -d.

De laatste letter van de stam van spelen is een l. De l zit niet in ’t ex-kofschip. Nu weet je dat gespeeld met een -d moet.

Er bestaat nog een handig ezelsbruggetje voor de spelling van voltooid deelwoorden die afkomstig zijn van een klankvast werkwoord.

Als je twijfelt of het woord met een -d of een -t moet eindigen, kun je het ook altijd langer maken. Je hoort dan welke letter er aan het eind van het voltooid deelwoord moet komen staan.

  • gespeeld wordt gespeelde. Je hoort een -d.
  • gemaakt wordt gemaakte. Je hoort een -t.
Maak een voltooid deelwoord langer om te horen of hij op een -d of een -t moet eindigen

De spelling van een infinitief

Als laatste behandelen we nog de spelling van het infinitief. Een infinitief is hetzelfde als het hele werkwoord.

Dat betekent meteen dat de spelling van het infinitief supersimpel is: je schrijft gewoon het hele werkwoord op!

  • De hond wil het liefst de hele dag ________ (spelen inf.).

Het woord spelen is hier een infinitief. Dat betekent dus dat je het woord mag invullen zoals het er nu achter staat:

  • De hond wil het liefst de hele dag spelen.

Makkelijk, toch?

Schema werkwoordspelling met fietsen

Voordat je zometeen zelf gaat oefenen met de werkwoordspelling, vullen we het volledige schema voor je in met het werkwoord fietsen.

We geven naast de correcte spelling steeds aan waarom het woord op die manier gespeld wordt. Zo weet je straks nóg beter hoe het zit!

Na dit schema krijg je de kans om zelf met de werkwoordspelling aan de slag te gaan.

uitleg schema werkwoordspelling fietsen

Werkwoordspelling oefenen

Zo, nu je alles weet van de werkwoordspelling, ben je zelf aan de beurt! Met onderstaande oefeningen check jij of je de theorie helemaal begrijpt.

Heb je nog vragen? Dat is helemaal niet erg! We zien ze graag verschijnen in een reactie onder dit artikel. Ook als je zelf nog goede ezelsbruggetjes hebt, vinden we het leuk als je die met ons deelt!

Alle antwoorden vind je onderaan de pagina. Veel succes met oefenen!

Opdracht 1

Schrijf de persoonsvorm tegenwoordige tijd correct op.

  1. Denise __________ (kijken t.t.) graag realityseries.
  2. De hele avond ___________ (zappen t.t.) ze van het ene kanaal naar het andere.
  3. Haar favoriet __________ (blijven t.t.) toch Big Brother.
  4. Denises broer en zus __________ (vinden t.t.) deze serie stom.
  5. Zij __________ (maken t.t.) liever huiswerk.

Opdracht 2

Schrijf de persoonsvorm verleden tijd correct op.

  1. Willem __________ (bouwen v.t.) vroeger prachtige bouwwerken van Lego.
  2. Hij en zijn broer __________ (maken v.t.) samen wel eens een enorm ruimteschip.
  3. Ook __________ (zetten v.t.) Willem wel eens een hele dierentuin in elkaar.
  4. De olifant __________ (drinken v.t.) zelfs echt water met zijn slurf.
  5. Willem __________ (stoppen v.t.) vorig jaar met bouwen.
  6. Hij __________ (krijgen v.t.) te veel huiswerk mee van school.

Opdracht 3

Schrijf het voltooid deelwoord correct op.

  1. Heb jij wel eens water uit een rivier __________ (drinken volt. dw.)?
  2. Jarno heeft zijn beste vriend beterschap __________ (wensen volt. dw.).
  3. Sabine heeft gisteren de muur van haar kamer __________ (verven volt. dw.).
  4. Anique en Daisy zijn jarenlang beste vriendinnen __________ (zijn volt. dw.).
  5. De kaas heeft een paar weken in de koeling __________ (liggen volt. dw.).

Opdracht 4

Schrijf de werkwoorden correct op.

Let op: alle werkwoordsvormen staan in deze opdracht door elkaar. Je moet dus steeds andere regels gebruiken.

  1. __________ (verzenden t.t.) jij wel eens kaarten naar je familie?
  2. Kelsey __________ (bakken v.t.) vanochtend een taart voor haar oma.
  3. Ik wil graag bij mijn buurmeisje __________ (spelen inf.).
  4. De voetballer heeft het ver __________ (schoppen volt. dw.).
  5. Er zijn hier chemische stoffen __________ (lozen volt. dw.).
  6. Om 9 uur __________ (verzamelen t.t.) we op de hoek van de straat.
  7. De honden __________ (blaffen v.t.) wel twee uur lang.
  8. Wij hebben de spannendste avonturen __________ (beleven volt. dw.).

Antwoorden opdracht 1

  1. Denise kijkt graag realityseries.
  2. De hele avond zapt ze van het ene kanaal naar het andere.
  3. Haar favoriet blijft toch Big Brother.
  4. Denises broer en zus vinden deze serie stom.
  5. Zij maken liever huiswerk.

Antwoorden opdracht 2

  1. Willem bouwde vroeger prachtige bouwwerken van Lego.
  2. Hij en zijn broer maakten samen wel eens een enorm ruimteschip.
  3. Ook zette Willem wel eens een hele dierentuin in elkaar.
  4. De olifant dronk zelfs echt water met zijn slurf.
  5. Willem stopte vorig jaar met bouwen.
  6. Hij kreeg te veel huiswerk mee van school.

Antwoorden opdracht 3

  1. Heb jij wel eens water uit een rivier gedronken?
  2. Jarno heeft zijn beste vriend beterschap gewenst.
  3. Sabine heeft gisteren de muur van haar kamer geverfd.
  4. Anique en Daisy zijn jarenlang beste vriendinnen geweest.
  5. De kaas heeft een paar weken in de koeling gelegen.

Antwoorden opdracht 4

  1. Verzend jij wel eens kaarten naar je familie?
  2. Kelsey bakte vanochtend een taart voor haar oma.
  3. Ik wil graag bij mijn buurmeisje spelen.
  4. De voetballer heeft het ver geschopt.
  5. Er zijn hier chemische stoffen geloosd.
  6. Om 9 uur verzamelen we op de hoek van de straat.
  7. De honden blaften wel twee uur lang.
  8. Wij hebben de spannendste avonturen beleefd.
Maaike de Boer

drs. Maaike de Boer is initiatiefneemster van Wijzeroverdebasisschool.nl

Gerelateerde artikelen

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *