Koppelwerkwoorden: uitleg en oefeningen

Koppelwerkwoorden spelen een belangrijke rol bij ontleden. Ze zijn belangrijk als je wilt weten of een zin een naamwoordelijk of werkwoordelijk gezegde heeft. Hoe dat precies zit, lees je in deze blog.

Wat zijn koppelwerkwoorden?

Koppelwerkwoorden zijn, zoals de naam al verklapt, werkwoorden. Werkwoorden zijn woorden die aangeven wat iemand doet. Een aantal voorbeelden van werkwoorden:

  • lopen
  • maken
  • trappen
  • keren

Er zijn verschillende soorten werkwoorden:

  • hulpwerkwoorden
  • zelfstandige werkwoorden
  • koppelwerkwoorden

In ons artikel over werkwoorden leggen we het verschil tussen deze 3 werkwoordsoorten uit. Hier gaan we dieper in op het koppelwerkwoord.

Koppelwerkwoord: alleen bij een naamwoordelijk gezegde

Een koppelwerkwoord is een speciaal soort werkwoord. Je vindt hem niet in iedere zin. Alleen als een zin een naamwoordelijk gezegde heeft, staat er ook een koppelwerkwoord in.

In een zin met een naamwoordelijk gezegde wordt altijd meer informatie gegeven over het onderwerp van de zin; over degene die de hoofdrol speelt dus. Waar een werkwoordelijk gezegde aangeeft wat iemand doet, vertelt een naamwoordelijk gezegde wat iemand is of wordt. We laten het verschil zien met wat voorbeelden.

  • Fay maakt haar huiswerk.
  • Morgen gaat Iko zijn kamer behangen.
  • Sasha drinkt een glas sinaasappelsap.

De zinnen hierboven hebben allemaal een werkwoordelijk gezegde. Ze vertellen namelijk allemaal wat de hoofdpersonen doen. De werkwoorden zijn dik gedrukt.

Als je naar de volgende zinnen kijkt, is dat anders:

  • Charlie is een lieve hond.
  • Justin is ziek geweest.
  • Carlos wil loodgieter worden.

Zie je dat deze zinnen allemaal meer informatie geven over het onderwerp van de zin? Ze vertellen niet wat het onderwerp doet, maar wat ze zijn of (willen) worden. Dat betekent dat in deze zinnen een naamwoordelijk gezegde zit.

Zoals je in ons artikel over het naamwoordelijk gezegde hebt kunnen lezen, bestaat zo’n naamwoordelijk gezegde uit 2 delen:

  • het werkwoordelijk deel: alle werkwoorden in de zin;
  • het naamwoordelijk deel: het deel van de zin dat meer informatie geeft over het onderwerp.

Het koppelwerkwoord is onderdeel van het werkwoordelijk deel.

naamwoordelijk gezegde koppelwerkwoord

Een koppelwerkwoord koppelt

Uit de naam van het koppelwerkwoord kun je niet alleen opmaken dat het om een werkwoord gaat. Je leest ook dat het koppelwerkwoord iets koppelt.

We kijken weer even naar een voorbeeld:

  • Het spel is leuk.

‘Is’ is in deze zin een koppelwerkwoord. Hoe je dat kunt weten, vertellen we je verderop in dit artikel. Nu is het vooral belangrijk dat je ziet welke delen het koppelwerkwoord aan elkaar koppelt.

Het onderwerp van deze zin is ‘het spel’. Het woordje ‘leuk’ geeft informatie over het spel. ‘Leuk’ is een kenmerk van het spel. En het koppelwerkwoord verbindt deze 2 delen van de zin.

Nog een voorbeeld:

  • Jacintha lijkt aardig.

Het koppelwerkwoord is ‘lijkt’. Dat woord koppelt het onderwerp (Jacintha) aan een kenmerk van het onderwerp (aardig). ‘Aardig’ zegt dus iets over Jacintha.

En als laatste:

  • Hij wordt gek!

Welke delen koppelt het koppelwerkwoord ‘wordt’ nu? Juist: ‘hij’ en ‘gek’!

eigenschap onderwerp

koppelwerkwoorden op een rijtje

In totaal zijn er 9 werkwoorden die een koppelwerkwoord kunnen zijn:

  • zijn
  • worden
  • blijven
  • blijken
  • lijken
  • schijnen
  • heten
  • dunken
  • voorkomen

Dit zijn allemaal hele werkwoorden (infinitieven). Meestal staan de werkwoorden in andere vormen in de zin. Ook dan kunnen ze koppelwerkwoorden zijn.

Kijk maar:

  • Arie lijkt de winnaar.
  • Chelsie bleef goed.

Let op: als je in de zin een vorm van 1 van deze werkwoorden ziet staan, betekent dat niet automatisch dat het om een koppelwerkwoord gaat. Verderop in dit artikel lees je aan welke eisen een koppelwerkwoord allemaal moet voldoen.

We kijken nu eerst even wat beter naar alle werkwoorden in dit rijtje.

koppelwerkwoorden rijtje

’Zijn’ en ‘worden’

De werkwoorden ‘zijn’ en ‘worden’ zijn de belangrijkste koppelwerkwoorden. Deze 2 komen heel vaak voor.

Maar let op: als het werkwoord ‘zijn’ aangeeft waar iemand zich bevindt (dus waar iemand is), is het geen koppelwerkwoord. Kijk maar:

  • De kinderen zijn op kamp. —> Hier vertelt de zin waar de kinderen zijn. ‘Zijn’ is hier dus geen koppelwerkwoord.
  • Deze mensen zijn erg vervelend. —> ‘Erg vervelend’ is een kenmerk van ‘deze mensen’. In deze zin is ‘zijn’ dus wel een koppelwerkwoord.

‘Blijven’, ‘blijken’, ‘lijken’ en ‘schijnen’

Deze 4 werkwoorden hebben allemaal een lange ij. Dat maakt het misschien wat makkelijker ze te onthouden.

Er zijn een paar dingen waar je op moet letten bij deze werkwoorden:

  • Het werkwoord ‘blijven’ is geen koppelwerkwoord als de zin aangeeft waar iemand is.

    Het verschil zie je in deze 2 zinnen:

    Tine blijft op haar kamer. —> Deze zin geeft aan waar Tine is. ‘Blijft’ is dus geen koppelwerkwoord.

    Bas blijft leuk. —> Deze zin geeft een eigenschap van Bas weer. Hier is ‘blijft’ dus wel een koppelwerkwoord.

  • Het werkwoord ‘lijken’ is geen koppelwerkwoord als de zin vertelt op wie iets of iemand lijkt.

    Peter lijkt op zijn tweelingbroer. —> Hier wordt de combinatie ‘lijken op’ gebruikt. ‘Lijkt’ is hier dus geen koppelwerkwoord.

    Peter lijkt ziek. —> ‘Ziek’ is hier een kenmerk van het onderwerp ‘Peter’, dus ‘lijkt’ is hier wel een koppelwerkwoord.

  • Het werkwoord ‘schijnen’ is geen koppelwerkwoord als het gaat over de zon die schijnt of licht dat schijnt. Vergelijk deze zinnen maar eens:

    De zon schijnt al dagen. —> In deze zin heeft ‘schijnen’ de betekenis van licht uitstralen. ‘Schijnen’ is hier dus geen koppelwerkwoord.

    Deze toets scheen belangrijk. —> In deze zin staat een eigenschap van het onderwerp ‘de toets’. Namelijk dat hij belangrijk scheen te zijn. Hier is ‘scheen’ dus wel een koppelwerkwoord.

‘Heten’, ‘dunken’ en ‘voorkomen’

Dan de laatste 3 koppelwerkwoorden: ‘heten’, ‘dunken’ en ‘voorkomen’. Ze komen een stuk minder vaak voor dan de andere 6.

Wat je over deze 3 koppelwerkwoorden moet weten:

  • Het werkwoord ‘dunken’ is alleen een koppelwerkwoord als het in de betekenis van ‘lijken’ wordt gebruikt. ‘Dunken’ is een oud-Nederlands werkwoord dat bijna niet meer voorkomt in deze betekenis. Tegenwoordig kennen we ‘dunken’ van basketbal; iemand springt omhoog om de bal in de basket te gooien. In die betekenis is ‘dunken’ geen koppelwerkwoord.

    voorbeelden:

    Dennis dunkte tijdens de wedstrijd wel 3 keer! —> Hier wordt ‘dunken’ gebruikt als basketbalterm. Het is dus geen koppelwerkwoord.

    Milo dunkt me een aardig persoon. —> In deze zin betekent ‘dunken’ hetzelfde als ‘lijken’. Je kunt ook zeggen: Milo lijkt me een aardig persoon. Hier is ‘dunken’ dus wel een koppelwerkwoord.

  • Het werkwoord ‘voorkomen’ is alleen een koppelwerkwoord als het de betekenis van ‘lijken’ heeft. Dat is meestal niet het geval. Deze vorm van ‘voorkomen’ is oud-Nederlands en wordt dus nog nauwelijks gebruikt.

    Vergelijk deze zinnen eens:

    In Afrika komen nog olifanten voor. —> Hier betekent ‘voorkomen’ zoiets als ‘zich bevinden’. In deze zin is ‘voorkomen’ dus geen koppelwerkwoord.

    De politie kon de overval voorkomen. —> In deze zin betekent ‘voorkomen’ dat de politie zorgt dat iets niet gebeurt. Hier is ‘voorkomen’ geen koppelwerkwoord.

    Deze jongen komt me bekend voor. —> Hier wordt met ‘voorkomen’ hetzelfde bedoeld als ‘lijken’. Deze jongen lijkt me bekend. In deze zin is ‘voorkomen’ wel een koppelwerkwoord.

Begrijpend Lezen Groep 5 Werkbladen (Gratis)

Begrijpend Lezen Groep 6 Werkbladen (Gratis)

Werkbladen Begrijpend Lezen Groep 7 (Gratis)

Begrijpend Lezen Groep 8 Werkbladen (Gratis)

Werkbladen Spelling Groep 5 (Gratis)

Werkbladen Spelling Groep 6 (Gratis)

Hoe vind je een koppelwerkwoord?

Eerder vertelden we al dat een werkwoord uit het rijtje van 9 niet altijd zomaar een koppelwerkwoord is. Een werkwoord moet aan veel eisen voldoen voordat het een koppelwerkwoord is. Hieronder vind je een overzicht van die eisen.

1. Alleen werkwoorden uit het rijtje

Als een werkwoord niet in het rijtje van de 9 koppelwerkwoorden staat, is het sowieso geen koppelwerkwoord.

Nogmaals, dit betekent niet dat ieder werkwoord uit het rijtje ook meteen een koppelwerkwoord is. Daarvoor moet hij ook aan de andere eisen voldoen. Houd bovendien rekening met de uitzonderingen die we hierboven hebben benoemd.

2. Alleen het belangrijkste werkwoord kan een koppelwerkwoord zijn

Deze eigenschap is heel belangrijk, maar wordt toch door veel mensen vergeten. Zoals je misschien wel weet, is in een enkelvoudige zin 1 werkwoord altijd het belangrijkste werkwoord. Alle overige werkwoorden zijn hulpwerkwoorden.

Hulpwerkwoorden kunnen nooit koppelwerkwoorden zijn. Het is dus belangrijk dat je altijd eerst kijkt welk werkwoord het belangrijkst is. Daarna kijk je of dat werkwoord in het rijtje van de 9 koppelwerkwoorden staat. En of het werkwoord voldoet aan de andere eisen.

We doen wat zinnen voor:

  • De veren van de papegaai zijn rood en geel.

In de zin hierboven zit maar 1 werkwoord: ‘zijn’. Dan weet je meteen dat dat het belangrijkste werkwoord is. ‘Zijn’ zou dus een koppelwerkwoord kunnen zijn.

  • Rex wil aanvoerder blijven.

In deze zin zitten 2 werkwoorden: ‘wil’ en ‘blijven’. Het belangrijkste werkwoord is hier ‘blijven’, want de persoonsvorm (wil) is nooit het belangrijkste werkwoord als er meerdere werkwoorden in een zin zitten. In deze zin zou ‘blijven’ dus een koppelwerkwoord kunnen zijn.

  • Onze juf schijnt ziek te zijn.

Hier zie je 2 werkwoorden: ‘schijnt’ en ‘zijn’. En ook al staan ze allebei in het rijtje van de koppelwerkwoorden, slechts 1 van de 2 kan een koppelwerkwoord zijn. Zoek dus eerst uit welk werkwoord het belangrijkst is. Dat is hier ‘zijn’, want ‘schijnt’ is de persoonsvorm. En een persoonsvorm is bij meerdere werkwoorden nooit het belangrijkste werkwoord. Nu weet je dus dat ‘schijnt’ nooit een koppelwerkwoord kan zijn. ‘Zijn’ zou wél een koppelwerkwoord kunnen zijn.

3. Een koppelwerkwoord koppelt 2 delen van de zin aan elkaar

Nog een belangrijk kenmerk van een koppelwerkwoord is dat hij 2 delen van een zin aan elkaar koppelt. Het gaat dan om het onderwerp en het naamwoordelijk deel.

Kijk maar:

  • Het grote paard is bruin. —> ‘Is’ koppelt ‘het grote paard’ aan een eigenschap, namelijk ‘bruin’. ‘Bruin’ is hier het naamwoordelijk deel.
  • Zaira wil rijk worden. —> ‘Worden’ koppelt het naamwoordelijk deel ‘rijk’ aan het onderwerp ‘Zaira’.
  • De wedstrijd blijft spannend. —> ‘Blijft’ koppelt ‘de wedstrijd’ aan ‘spannend’.

4. Een koppelwerkwoord is vervangbaar door een ander koppelwerkwoord

Als je nog twijfelt of je wel of niet met een koppelwerkwoord te maken hebt, kun je altijd controleren of je het kunt vervangen door 1 van de andere koppelwerkwoorden.

Je kunt daarvoor de koppelwerkwoorden het beste in groepjes verdelen. De woorden in die groepjes zijn onderling makkelijk te vervangen.

Groepje 1                  

  • zijn
  • worden

Bijvoorbeeld:

  • Hij is ziek. —> Hij wordt ziek.
  • Dirkje wordt kampioen. —> Dirkje is kampioen. 

Groepje 2         

  • blijven
  • blijken
  • lijken
  • schijnen

Bijvoorbeeld:

  • Mira blijft leuk. —> Mira blijkt leuk.
  • Die som lijkt moeilijk —> Die som blijft moeilijk.

Groepje 3

  • (heten)
  • dunken
  • voorkomen
  • Loes komt mij aardig voor. —> Loes dunkt mij aardig.

Het werkwoord ‘heten’ staat hier tussen haakjes, omdat dit werkwoord niet altijd te vervangen is. Toch mag je het blijven zien als een koppelwerkwoord.

koppelwerkwoord eisen

Ook interessant:

Koppelwerkwoorden oefenen

Nu je zoveel weet over het koppelwerkwoord, wordt het tijd ermee te gaan oefenen. Die oefening is erg belangrijk. Als je niet zelf met de leerstof aan de slag gaat, is het veel moeilijker de stof te onthouden.

Hieronder vind je daarom een aantal opdrachten waarin je met het koppelwerkwoord aan de slag gaat. De antwoorden staan helemaal onderaan de pagina.

Veel succes met oefenen. Laat het ons vooral weten als je vragen hebt!

Oefening 1

a. Schrijf alle koppelwerkwoorden op.

1. _________________________________

2. _________________________________

3. _________________________________

4. _________________________________

5. _________________________________

6. _________________________________

7. _________________________________

8. _________________________________

9. _________________________________

b. Aan welke eisen moet een werkwoord voldoen om een koppelwerkwoord te zijn?

1. __________________________________________________________

2. __________________________________________________________

3. __________________________________________________________
 
4. __________________________________________________________

Oefening 2

Welk werkwoord is het koppelwerkwoord?
Let op: niet iedere zin heeft een koppelwerkwoord.

  1. Jaimy wilde zangeres worden.

    kww = _______________________

  2. Dat restaurant schijnt erg goed te zijn.

    kww = _______________________

  3. De eieren worden lang gekookt.

    kww = _______________________

  4. De zon schijnt erg fel.

    kww = _______________________

  5. Dhara wordt de beste voetbalster van de wereld.

    kww = _______________________

Oefening 3

Schrijf de koppelwerkwoorden op.
Let op: niet iedere zin heeft een koppelwerkwoord.

  1. De haas was erg snel.

    kww = _______________________

  2. Harry Potter lijkt me een goed boek.

    kww = _______________________

  3. Ben jij al naar de kapper geweest?

    kww = _______________________

  4. Joachim schijnt rechter te worden.

    kww = _______________________

  5. Dat paard heet Stippel.

    kww = _______________________

Antwoorden oefening 1

a. 1. zijn
2. worden
3. blijven
4. blijken
5. lijken
6. schijnen
7. heten
8. dunken
9. voorkomen

b. 1. Het moet in het rijtje van de 9 koppelwerkwoorden staan.
2. Het moet het belangrijkste werkwoord van de zin zijn.
3. Een koppelwerkwoord koppelt 2 delen van de zin aan elkaar.
4. Je kunt hem vervangen door een ander koppelwerkwoord.

Oefening 2 antwoorden

  1. worden
  2. zijn
  3. wordt

Antwoorden oefening 3

  1. was
  2. lijkt
  3. worden
  4. heet

Judith Kimenai, BEd

Judith was jarenlang docente Nederlands en (tweetalig) biologie binnen het voortgezet onderwijs. Tijdens haar onderwijscarrière was ze naast docente ook een bevlogen brugklasmentor en intern begeleider. Tegenwoordig is Judith freelance tekstschrijfster en richt ze zich voornamelijk op de educatieve sector.

Gerelateerde artikelen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.