Alles over het aanwijzend voornaamwoord

Het aanwijzend voornaamwoord is een woord dat iets aanwijst. Het is 1 van de woordsoorten waaruit een zin kan bestaan en je kunt deze tegenkomen tijdens het taalkundig ontleden. Welke woorden tot de aanwijzende voornaamwoorden behoren en hoe je ze gebruikt, lees je in dit artikel!

Lees ook onze andere artikelen over voornaamwoorden:

Kenmerken aanwijzend voornaamwoord

Een aanwijzend voornaamwoord kent een aantal duidelijke kenmerken. We hebben die kenmerken voor je op een rijtje gezet.

1. Deze, die, dit, dat

Ten eerste moet je weten dat deze 4 aanwijzende voornaamwoorden het meest gebruikt worden:

  • deze
  • die
  • dit
  • dat

Er zijn nog meer aanwijzende voornaamwoorden. Daarover vertellen we je later meer.

meest voorkomende aanwijzend voornaamwoord

2. Het wijst iets aan

Ten tweede wijst een aanwijzend voornaamwoord altijd iets of iemand aan. Als er bijvoorbeeld ‘die bril’ staat, dan kun je de bril letterlijk met je vinger aanwijzen. Probeer het maar eens uit met de voorwerpen om je heen!

Enkele voorbeelden:

  • deze knuffelbeer
  • dat jasje
  • die fiets
  • dit schrift

Begrijpend Lezen Groep 4 Werkblad (Gratis)

Begrijpend Lezen Groep 5 Werkbladen (Gratis)

Begrijpend Lezen Groep 6 Werkbladen (Gratis)

3. Plaats in de zin

Ten derde nog even iets over de plaats van een aanwijzend voornaamwoord in de zin. Meestal staat zo’n aanwijzend voornaamwoord vóór hetgeen dat het aanwijst. En dat is dan een zelfstandig naamwoord.

Bijvoorbeeld:

  • Dat paard staat in de wei.

Het woordje ‘dat’ staat voor het zelfstandig naamwoord ‘paard’. Als je hierbij een plaatje in je hoofd maakt, zie je dat iemand met zijn vinger staat te wijzen naar het paard.

Als een aanwijzend voornaamwoord bij een zelfstandig naamwoord hoort, neemt het de plek in van het lidwoord. We laten het je zien met 3 voorbeelden:

  • de boerderij
  • het getal
  • een beer

De woorden ‘de’, ‘het’ en ‘een’ zijn lidwoorden.

Nu kun je van ‘de boerderij’ ook ‘deze boerderij’ maken. Of ‘die boerderij’:

  • Deze boerderij ligt tussen de velden.
  • Die boerderij maakt heerlijke kaas.

En het lidwoord ‘het’ voor ‘getal’ kun je ook aanpassen:

  • Dit getal is groot.
  • Dat getal is erg klein.

Het lidwoord ‘een’ voor ‘beer’ kun je vervangen door ‘deze’ en ‘die’:

  • Deze beer is bruin.
  • Die beer heeft een witte kleur.

Zie je dat het aanwijzend voornaamwoord in het laatste voorbeeld eigenlijk pas duidelijk maakt om welke beer het gaat? ‘Een beer’ is nog een beetje vaag. Maar als je ‘die beer’ zegt, kun je wijzen naar de beer waar je over praat.  

aanwijzend voornaamwoord lidwoord

Hoe vind je een aanwijzend voornaamwoord?

Als je aanwijzende voornaamwoorden wilt herkennen in een zin, is het vooral belangrijk dat je de 4 meest voorkomende aanwijzende voornaamwoorden uit je hoofd kent: deze, die, dit en dat.

Dat betekent echter niet dat deze woorden altijd aanwijzende voornaamwoorden zijn. De woorden ‘die’ en ‘dat’ kunnen bijvoorbeeld ook een betrekkelijk voornaamwoord zijn. Dan staan ze niet vóór een zelfstandig naamwoord, maar erachter:

  • De jongen die… —> die = betrekkelijk voornaamwoord
  • Het meisje dat… —> dat = betrekkelijk voornaamwoord

Stel dat je twijfelt of iets een aanwijzend voornaamwoord is; hoe kun je er dan achter komen of dat wel of niet zo is? Daar zijn wel wat trucjes voor.

Vervang het door een ander aanwijzend voornaamwoord

Ten eerste kun je een aanwijzend voornaamwoord meestal vervangen door een ander aanwijzend voornaamwoord. 

Kijk maar:

  • deze koets —> die koets
  • dat eekhoorntje —> dit eekhoorntje
  • die trompet —> deze trompet
  • dit potlood —> dat potlood

Werkbladen Werkwoordspelling Groep 7/8 (Gratis)

Werkbladen Spelling Groep 3 (Gratis)

Werkbladen Spelling Groep 4 (Gratis)

Maak een plaatje in je hoofd

Een andere tip: maak een plaatje in je hoofd van de zin. Wijst iemand in dat plaatje iets of iemand aan? Dan is de kans groot dat in de zin een aanwijzend voornaamwoord zit. 

Deze fiets, die koeien, dat zwaard, dit schuurtje… Al deze voorbeelden kun je aanwijzen!

hoe vind je het aanwijzend voornaamwoord

Wanneer welk aanwijzend voornaamwoord?

Laten we eerst nog eens even kijken naar de aanwijzende voornaamwoorden die het meeste voorkomen: deze, die, dit en dat

Je kunt niet al deze woorden zomaar door elkaar gebruiken. ‘Die huis’ is bijvoorbeeld niet goed. En ‘dit jurk’ ook niet!

Maar hoe weet je dan welk aanwijzend voornaamwoord je kunt gebruiken? We leggen het je uit. 

De- en het-woorden

Om te weten welk aanwijzend voornaamwoord je kunt gebruiken, moet je weten of het zelfstandige naamwoord dat erbij hoort een de-woord of een het-woord is. Je kunt alle zelfstandige naamwoorden verdelen in die 2 groepen: de-woorden en het-woorden.

De aanwijzende voornaamwoorden ‘deze’ en ‘die’ gebruik je alleen bij de-woorden. Kijk maar:

  • de auto —> deze auto of die auto
  • de poes —> deze poes of die poes
  • de planeet —> deze planeet of die planeet

‘Dit auto’ is niet goed. En ‘dat planeet’ ook niet.

De aanwijzende voornaamwoorden ‘dit’ en ‘dat’ gebruik je bij het-woorden. Dat zie je hier:

  • het hek —> dit hek of dat hek
  • het paleis —> dit paleis of dat paleis
  • het rapport —> dit rapport of dat rapport

‘Die hek’ is niet goed. En ‘deze paleis’ natuurlijk ook niet. 

Dichtbij en veraf

Verder kun je ook nog onderscheid maken in dichtbij en veraf. Als iets verder weg staat, gebruik je ‘die’ of ‘dat’. En als iets dichtbij is, schrijf je ‘deze’ of ‘dit’. 

Zo staat ‘dit schaap’ dichterbij dan ‘dat schaap’. En ‘die toren’ is verder weg dan ‘deze toren’.

Andere aanwijzende voornaamwoorden

Als laatste willen we je er nog even op wijzen dat deze, die, dit en dat niet de enige aanwijzende voornaamwoorden zijn. Er zijn er nog veel meer, maar die worden wat minder vaak gebruikt. Hier zie je wat voorbeelden:

  • degene
  • datgene
  • zulk
  • zulke
  • zo’n

Je kunt bijvoorbeeld zeggen: 

– Degene die een taart bakt, is lief. 

‘Degene’ is dan een aanwijzend voornaamwoord. Hetzelfde geldt voor het woordje ‘zulke’ in deze zin:

Zulke grote aardbeien heb ik nog nooit gezien! 

Maar maak je over deze minder voorkomende aanwijzende voornaamwoorden niet te druk. Het belangrijkste is dat je de 4 meest voorkomende aanwijzende voornaamwoorden onthoudt: deze, die, dit en dat.

Voorbeeldzinnen

Voordat we naar wat opdrachten gaan waarin je zelf mag oefenen met het aanwijzend voornaamwoord, doen we wat zinnen voor. Dan weet je zeker dat je snapt wat we tot nu toe hebben uitgelegd. 

Ik geef je 3 zinnen als voorbeeld. Natuurlijk mag je altijd eerst zelf proberen de aanwijzende voornaamwoorden eruit te halen.

De eerste zin:

– Waar komen al die borden en dat kopje vandaan?

Weet jij wat de aanwijzende voornaamwoorden zijn?

Het gaat om: ‘die’ en ‘dat’.

Het woord ‘die’ staat vóór het zelfstandig naamwoord ‘borden’. En ‘die’ zegt over welke borden het gaat. Bovendien kun je zelf met een vinger naar ‘die borden’ wijzen. 

Dat wijzen kun je ook doen naar ‘dat kopje’. ‘Kopje’ is een zelfstandig naamwoord en het woordje ‘dat’ wijst aan over welk kopje het gaat: dát kopje! 

De tweede zin:

– Ik vind deze vissen niet zo mooi als die. 

Vis jij de aanwijzende voornaamwoorden er hier weer even uit?

In deze zin staan ook 2 aanwijzende voornaamwoorden: ‘deze’ en ‘die’. ‘Deze’ was waarschijnlijk niet zo moeilijk. Dat woord staat vóór het zelfstandig naamwoord ‘vissen’. Door het woord ‘deze’ weet je over welke vissen het gaat. 

Maar had je het aanwijzende voornaamwoord ‘die’ ook gevonden? Dat was wat lastiger te vinden. Er staat namelijk geen zelfstandig naamwoord achter.

Toch is ‘die’ wél een aanwijzend voornaamwoord. Je kunt er namelijk heel makkelijk het zelfstandig naamwoord ‘vissen’ achter zetten. En dán herken je ‘die’ waarschijnlijk wel als een aanwijzend voornaamwoord. Het woordje ‘die’ wijst weer aan over welke vissen het gaat. 

En nog een laatste zin. Deze is nog wat moeilijker. Durf jij het aan?

– Daar was de jongen die dat kampioenschap had gewonnen.  

We weten dat de woorden ‘die’ en ‘dat’ aanwijzende voornaamwoorden kúnnen zijn. Maar zijn ze dat ook in deze zin? 

Van het woordje ‘dat’ weten we het eigenlijk wel zeker. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord ‘kampioenschap’. Én het vertelt over welk kampioenschap het gaat: dát kampioenschap. 

Maar hoe zit het nu met het woordje ‘die’? Dat is in deze zin géén aanwijzend voornaamwoord. Er staat niet ‘die jongen’, maar ‘de jongen die’. Met andere woorden: het woordje ‘die’ staat áchter het zelfstandig naamwoord in plaats van ervoor. In deze zin is ‘die’ een betrekkelijk voornaamwoord. 

Meer te weten komen over het aanwijzend voornaamwoord? Bekijk dan onderstaande video.

Zelf aan de slag met het aanwijzend voornaamwoord

Nu je al deze stof over het aanwijzend voornaamwoord hebt gelezen, is het tijd om er zelf mee aan de slag te gaan. Dat kan met de opdrachten die hieronder staan. De antwoorden staan onderaan de pagina.

We wensen je veel succes met oefenen!

Opdracht 1

Schrijf het aanwijzend voornaamwoord op. In iedere zin zit er 1.

  1. Heeft Marco die opdrachten al gemaakt?

Aanwijzend voornaamwoord: ________________

2. Waar zit dat leuke meisje op school?

Aanwijzend voornaamwoord: ________________

3. Deze boeken heeft mijn vader geschreven.

Aanwijzend voornaamwoord: ________________

4. Dit flesje was ik al dagen kwijt!

Aanwijzend voornaamwoord: ________________

5. Wil je hem dat doekje even aangeven?

Aanwijzend voornaamwoord: ________________

Opdracht 2

Schrijf het aanwijzend voornaamwoord op. Er kunnen meerdere aanwijzende voornaamwoorden in de zin zitten. Soms zit er geen in.

1. Ken jij de jongen die daar op dat muurtje zit?

Aanwijzend voornaamwoord: ________________

2. Zulke machines zijn erg gevaarlijk.

Aanwijzend voornaamwoord: ________________

3. Ik sloot het kastje dat openstond.

Aanwijzend voornaamwoord: ________________

4. Wil jij liever deze snoepjes of die koekjes?

Aanwijzend voornaamwoord: ________________

5. Geef mij die maar!

Aanwijzend voornaamwoord: ________________

Antwoorden opdracht 1

  1. die
  2. dat
  3. Deze
  4. Dit
  5. dat

Antwoorden opdracht 2

  1. dat (‘die’ is een betrekkelijk voornaamwoord)
  2. Zulke
  3. – (‘dat’ is een betrekkelijk voornaamwoord)
  4. deze, die
  5. die

Judith Kimenai, BEd

Judith was jarenlang docente Nederlands en (tweetalig) biologie binnen het voortgezet onderwijs. Tijdens haar onderwijscarrière was ze naast docente ook een bevlogen brugklasmentor en intern begeleider. Tegenwoordig is Judith freelance tekstschrijfster en richt ze zich voornamelijk op de educatieve sector.

Gerelateerde artikelen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.