Verwijswoorden uitleg (in 4 makkelijke stappen)

Heb je wel eens van verwijswoorden gehoord? Vast wel bij de lessen begrijpend lezen. Maar weet je ook wat het zijn en hoe je ze gebruikt? In dit artikel met video leggen we je alles uit. Onderaan het artikel vind je gratis oefeningen met verwijswoorden.

Wat is een verwijswoord?

Een verwijswoord is een woord dat naar een ander woord, een woordgroep of een hele zin verwijst.

Bijvoorbeeld:

  • Saskia geniet van de warme zomerdagen. Ze gaat lekker zwemmen en eet heerlijke ijsjes.

Het woord ‘Ze’ is een verwijswoord, want het verwijst naar Saskia. Het is dezelfde persoon.

Meestal staat hetgeen waarnaar verwezen wordt eerder in de tekst dan het verwijswoord. Toch is dat niet altijd zo. Soms komt het verwijswoord eerst:

  • De sturen van hun fietsen raakten elkaar heel even. In een flits vielen Sjoerd en Kas op de grond.

Je ziet dat in dit voorbeeld eerst het verwijswoord genoemd wordt. Waarnaar verwijst ‘hun’? Het antwoord op die vraag is: Sjoerd en Kas. Het woord ‘hun’ verwijst dus naar Sjoerd en Kas.

Verwijswoorden worden niet voor niks gebruikt. Kijk maar eens wat er gebeurt als je géén verwijswoorden gebruikt:

  • Siem heeft zin in de vakantie. Siem gaat dan samen met Siems ouders een weekje weg. Siems vader heeft Siem verteld dat ze naar Kreta gaan.

Je ziet het: de tekst is op deze manier niet zo fijn om te lezen. Ook is hij erg saai. Daarom kun je beter een tekst schrijven mét verwijswoorden:

  • Siem heeft zin in de vakantie. Hij gaat dan samen met zijn ouders een weekje weg. Zijn vader heeft hem verteld dat ze naar Kreta gaan.

Als je weet wat verwijswoorden zijn, herken je ze gemakkelijker in een tekst. Ook weet je beter waarnaar ze verwijzen. Dat is handig, want daardoor snap je de tekst beter.

Een mooie bijkomstigheid: bij begrijpend lezen wordt nogal eens gevraagd waarnaar verwijswoorden verwijzen. Als je de theorie begrijpt, geef je zonder moeite het juiste antwoord. Als in een Cito-toets wordt gevraagd waarnaar een verwijswoord terugverwijst, wees dan zo volledig mogelijk.

Bijvoorbeeld:

  • De grijze poes die daar loopt, is van mijn buren.

Het woord ‘die’ verwijst hier naar ‘De grijze poes’ en niet alleen naar ‘poes’.

Tenslotte is het prettig als je weet hoe je verwijswoorden gebruikt, zodat je je tekst leuker en beter leesbaar maakt.

Verschillende voorbeelden van verwijswoorden

Er zijn heel veel verwijswoorden. Een aantal voorbeelden:

  • Ik, jij, u, hij, zij, het, wij, jullie, zij, me, mij, jou, hem, haar, ons, hen, hun, mijn, jouw, uw, zijn, haar, ons
  • deze, die, dit, dat, wie, wat
  • toen, daar, hier

Al deze woorden kunnen in een tekst verwijzen naar iets of iemand, naar een gebeurtenis of naar een plek.

Verwijswoorden: uitleg over het juiste gebruik

Als je zelf een tekst schrijft, is het belangrijk dat je de juiste verwijswoorden gebruikt. Dat gaat best vaak fout. Kijk maar eens naar dit voorbeeld:

  • Het bedrijf verdient veel geld. Ze werken dan ook erg hard.

Hier zie je dat naar ‘Het bedrijf’ verwezen wordt met ‘Ze’ (meervoud). Dat klopt niet, want ‘Het bedrijf’ is enkelvoud.

Je moet dus altijd bedenken welk verwijswoord het juiste is. Daar zijn in de lastige gevallen gelukkig wel wat trucjes voor. Die verklappen we nu.

Lastige keuzes bij verwijswoorden: enkelvoud of meervoud?

Zoals in het vorige voorbeeld duidelijk werd, moet je altijd goed kijken of het deel van de zin waarnaar je verwijst enkelvoud of meervoud is. Meestal is dat makkelijk te zien:

  • Het paard staat in de wei. Hij graast rustig.
  • De auto’s zijn gerepareerd. Ze staan in de garage.

Soms is het moeilijker te zien of een woord of woordgroep enkelvoud of meervoud is. Dat geldt bijvoorbeeld voor woorden als ‘politie’, ‘personeel’, ‘menigte’ of ‘kudde’. Deze woorden verwijzen allemaal naar een grote groep mensen of dieren. Toch zijn ze allemaal enkelvoud. Als je twijfelt of een woord enkelvoud of meervoud is, kijk dan of je er ‘een’ voor kunt zetten. Als dat zo is, is het enkelvoud. Zo niet, dan heb je te maken met meervoud.

Lastige keuzes bij verwijswoorden: die of dat?

Een fout die heel vaak voorkomt is deze:

  • Het meisje die hier loopt, is erg aardig.

Zelfs op tv hoor je deze fout geregeld voorbij komen. Het moet natuurlijk zijn:

  • Het meisje dat daar loopt, is erg aardig.

Maar hoe weet je nu of je ‘die’ of ‘dat’ moet gebruiken? Dat heeft te maken met de lidwoorden ‘de’ en ‘het’.

Naar een het-woord verwijs je met ‘dat’:

  • Het boek dat…
  • Het papier dat…
  • Het water dat…

Naar een de-woord verwijs je met ‘die’:

  • De beer die…
  • De pizza die…
  • De stift die…

Vind je het lastig te onthouden welk verwijswoord je gebruikt voor een de-woord en een het-woord? Onthoud dan dan de laatste letter van het verwijswoord hetzelfde is als de laatste letter van het lidwoord:

  • Bij ‘het’ hoort ‘dat’.
  • Bij ‘de’ hoort ‘die’.

Lastige keuzes bij verwijswoorden: dat of wat?

Dan nog zo’n lastige. Wanneer gebruik je ‘dat’ en wanneer ‘wat’ als verwijswoord?

Het verwijswoord ‘dat’ gebruik je als je verwijst naar een zelfstandig naamwoord met ‘het’ als lidwoord.

  • Het kind dat daar zit, kan mooi schrijven.

Het verwijswoord ‘wat’ gebruik je in deze gevallen:

  • Als het verwijst naar woorden als ‘iets’, ‘niets’, ‘alles’, ‘dat’ en ‘datgene’:
  • Ik vind alles wat in de etalage ligt mooi.
  • Als het verwijst naar een hele zin.
  • Wij moesten uren wachten op de bus, wat we erg vervelend vonden.
  • Als het na een voorzetsel komt.
  • Hij moet boeten voor wat hij heeft gedaan.
  • Als het verwijswoord direct na een overtreffende trap komt. Dat zijn woorden als ‘mooiste’, ‘leukste’, ‘vervelendste’ en ‘heftigste’.
  • Dat is het leukste wat ik ooit heb gedaan.

Maar let op: als er achter de overtreffende trap nog een zelfstandig naamwoord komt, gebruik je ‘die’ of ‘dat’.

  • Broccoli is de lekkerste groente die ik ooit gegeten heb.

Oefenen met verwijswoorden

Weet jij nu helemaal hoe het zit? Dan is het tijd om te oefenen met verwijswoorden. De antwoorden van de opdrachten zijn onderaan de pagina te vinden.

Opdracht 1

Vul het juiste verwijswoord in. Kies uit: die, dat, wat.

  1. Chris is een jongetje __ graag voetbalt.
  2. Hij pakt daarvoor het liefst de bal __ hij van zijn opa heeft gekregen.
  3. rolt namelijk het beste door het gras, _ hij erg fijn vindt.
  4. Voetballen is volgens Chris de mooiste sport __ er bestaat!
  5. Hij speelt intussen in het Nederlands jeugdelftal, __ zijn ouders erg bijzonder vinden.

Opdracht 2

Waarnaar verwijst het onderstreepte woord?

  1. Paul verzamelt postzegels. Hij heeft er inmiddels al honderden.

‘Hij’ verwijst naar: _____________________________________

  1. Voorzichtig haalt hij ze met een pincet van een natgemaakte envelop. Zo gaan de postzegels niet kapot.

‘ze’ verwijst naar: _________________________________

  1. Ooit is er eentje kapot gegaan, wat Paul erg vervelend vond.

‘wat’ verwijst naar: ________________________________

  1. Hij ging toen naar een reparateur. Die kon helaas niets meer voor de postzegel doen.

‘Die’ verwijst naar: _________________________________

  1. Paul is zuinig op zijn verzamelde postzegels. Hij heeft ze allemaal in plastic mapjes gestopt.

‘ze’ verwijst naar: _____________________________________

Antwoorden opdracht 1

  1. Chris is een jongetje dat graag voetbalt.
  2. Hij pakt daarvoor het liefst de bal die hij van zijn opa heeft gekregen.
  3. Die rolt namelijk het beste door het gras, wat hij erg fijn vindt.
  4. Voetballen is volgens Chris de mooiste sport die er bestaat!
  5. Hij speelt intussen in het Nederlands jeugdelftal, wat zijn ouders erg bijzonder vinden.

Antwoorden opdracht 2

  1. Paul verzamelt postzegels. Hij heeft er inmiddels al honderden.

‘Hij’ verwijst naar: Paul

  1. Voorzichtig haalt hij ze met een pincet van een natgemaakte envelop. Zo gaan de postzegels niet kapot.

‘ze’ verwijst naar: de postzegels

  1. Ooit is er eentje kapot gegaan, wat Paul erg vervelend vond.

‘wat’ verwijst naar: Ooit is er eentje kapot gegaan

  1. Hij ging toen naar een reparateur. Die kon helaas niets meer voor de postzegel doen.

‘Die’ verwijst naar: een reparateur

  1. Paul is zuinig op zijn verzamelde postzegels. Hij heeft ze allemaal in plastic mapjes gestopt.

‘ze’ verwijst naar: zijn verzamelde postzegels

Heb je de meeste (of zelfs alle) antwoorden goed? Dan heb jij de theorie over verwijswoorden helemaal onder de knie. Vind je het nog moeilijk? Lees dan het artikel nog een keer goed door, zodat ook jij binnenkort alles van verwijswoorden weet.

Rochelle Schaepkens

Rochelle behaalde een Bachelor en Master of Education (PABO en Master Leren en Innoveren). Daarnaast heeft ze de opleidingen tot Taalexpert, Rekenexpert en Remedial Teaching gevolgd. Ze werkt als leerkracht en unitleider op een basisschool en als Content Creator voor Wijzer over de basisschool.

Gerelateerde artikelen

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *