Beter scoren met Cito Rekenen? Tijdelijk Gratis Oefenbladen
[PDF] Direct Toegang

Page content

article content

6 vragen beantwoord over de meest voorkomende taalfouten


Schrijven is niet altijd makkelijk. Foutloos schrijven al helemaal niet. Het Nederlands is geen makkelijke taal en zit vol valkuilen. Vaak wordt er getwijfeld over de schrijfwijze van bepaalde woorden of weet men de regels niet goed toe te passen.

Wat zijn de meest voorkomende taalfouten en vooral; hoe voorkom je ze? Wij hebben er 6 voor je op een rijtje gezet.

Zij, hun of hen?

Zij, hun en hen worden nog al eens door elkaar gehaald. Wanneer gebruik je zij (of ze)? En hoe zit het ook alweer met hun en hen? We leggen het uit.

De regel:

Zij = altijd onderwerp in een zin

Hun = meewerkend voorwerp (zonder voorzetsel) of bezittelijk voornaamwoord

Hen = lijdend voorwerp én gebruik je na een voorzetsel

Voorbeelden:

zij, hun, hen

Uitzondering:

In schrijftaal mag je in plaats van zij en hen ook ze gebruiken.

In spreektaal mag je in plaats van zij, hen of hun ook ze gebruiken

Tip:

Gebruik in gesprekken ze in plaats van zij, hen of hun. Je kunt dan niet per ongeluk de fout maken hun als onderwerp te gebruiken.

Ze waren net op tijd in het bedrijfsrestaurant.
Ik heb het ze gegeven.
Ik heb het aan ze gegeven.

Oefeningen:

Welke van de twee zinnen is juist geschreven? Weet jij het antwoord? Kijk straks of je het goed hebt. Onderaan dit artikel vind je een pdf met de antwoorden!

 

Hun zijn vanmorgen op tijd vertrokken naar Amsterdam.

Zij zijn vanmorgen op tijd vertrokken naar Amsterdam.

Ik heb hen vanmorgen nog hier op kantoor gezien.

Ik heb hun vanmorgen nog hier op kantoor gezien.

Ik geef die papieren vanavond aan hen.

Ik geef die papieren vanavond aan hun.

Ik heb ze over dat onderwerp horen praten.

Ik heb hun over dat onderwerp horen praten.

Martijn heeft het hen gegeven.

Martijn heeft het hun gegeven.

Ali heeft een presentatie aan hen gegeven en is toen met hen meegegaan naar de vierde verdieping.

Ali heeft een presentatie aan hen gegeven en is toen met hun meegegaan naar de vierde verdieping.

Als of dan?

Wanneer gebruik je dan zijn en wanneer als? Voor veel mensen is dit lastig te onthouden. Dan en als worden dan ook veel door elkaar gehaald. Hoe zat het ook alweer?

Regel:

Gebruik dan na een vergrotende trap (vergrotende trap is woorden als kleiner, meer, groter, leuker, later, grappiger et cetera) en na ander(e), anders en niets.

Gebruik als bij vergelijkingen (zo … als, even … als, hetzelfde als).

Voorbeelden:
als of dan

Tip:

Vaak wordt als verkeerd gebruikt na een vergrotende trap.

Bijvoorbeeld ‘ik ben beter als zij’.

Als het woord ervoor eindigt op –er, weet je bijna zeker dat het een vergrotende trap is en dat je dan moet gebruiken.

Als komt bijna altijd na één van de volgende woorden:

net (net als….),  even (even groot als…), zo (zo groot als zij…).

Oefeningen:

Welke zin is juist geschreven? Gebruik je als of dan? Kijk straks of je het goed hebt. Onderaan dit artikel vind je een pdf met daarop de antwoorden!

Zij kan het beter als haar collega.

Zij kan het beter dan haar collega.

Ik ben net zo vaak vrij geweest als zij.

Ik ben net zo vaak vrij geweest dan haar.

Mariëtte heeft evenveel uren gemaakt als Marloes.

Mariëtte heeft evenveel uren gemaakt dan Marloes.

Julia heeft meer vakantiedagen opgenomen als Peter.

Julia heeft meer vakantiedagen opgenomen dan Peter.

Wanneer hebben zij net zoveel gewerkt als hun?

Wanneer hebben zij net zoveel gewerkt als zij?

Wanneer hebben zij net zoveel gewerkt dan zij?

Wij hebben vandaag langer gewacht als gisteren.

Wij hebben vandaag langer gewacht dan gisteren.

Alle of allen?

Wanneer krijgen woorden zoals alle(n), beide(n), vele(n) en sommige(n) een n op het eind en wanneer niet?

Dat is een goede vraag…. Met een addertje onder het gras 😉.

Want:

Voor de woorden alle(n) en beide(n) gelden andere regels dan voor de andere woorden! We zullen alle(n) en beide(n) dan ook apart behandelen.

Maar eerst, wanneer krijgen sommige, andere, enkele, vele en meeste een n aan het eind?

Regel:

Deze woorden krijgen géén n aan het eind als ze bij een zelfstandig naamwoord horen. Het maakt daarbij niet uit of je over mensen of dingen schrijft.

Als deze woorden zelfstandig gebruikt worden en niet op personen slaan, schrijf je ze zónder n.

Je schrijft deze woorden mét n als ze zelfstandig gebruikt worden en op personen in het algemeen slaan.

met of zonder n

En hoe zit het dan met alle(n) en beide(n)?

Regel:

Als het woord zelfstandig gebruikt wordt en niet op personen slaat, schrijf je alle en beide, dus zónder n.

Je schrijft allen en beiden, dus mét n, als het woord zelfstandig gebruikt wordt en slaat op personen die eerder worden genoemd.

Als allen zelfstandig gebruikt wordt en iedereen betekent, schijf je allen, mét n.

Voorbeelden:

alle of allen

Oefeningen:

Heb je het goed lezen? Kijk dan of je de regels toe kunt passen. Hier volgen weer voorbeeldzinnen. Welke zin is goed geschreven? Je vind de antwoorden in het pdf-bestand onderaan dit artikel.

Ik heb twee opa’s. Beiden komen ze naar mijn verjaardag.

Ik heb twee opa’s. Beide komen ze naar mijn verjaardag.

Er komen anderen naast ons wonen.

Er komen andere naast ons wonen.

Schrijf vijf zinnen. Ze moeten allen met een hoofdletter beginnen.

Schrijf vijf zinnen. Ze moeten alle met een hoofdletter beginnen.

De jongens pakten allen een koekje.

De jongens pakten alle een koekje.

Door de vele fouten kreeg hij een onvoldoende.

Door de velen fouten kreeg hij een onvoldoende.

Tandartsen mogen zelf hun tarief bepalen. Sommige hebben hun tarief verhoogd.

Tandartsen mogen zelf hun tarief bepalen. Sommigen hebben hun tarief verhoogd.

Dat of wat?

Wat is juist: Het tijdschrift dat ik lees of het tijdschrift wat ik lees? Het boek dat ik lees heeft nog steeds de voorkeur. Maar wat wordt ook vaak gebruikt, tot grote ergernis van de meeste taalkenners…. Hoe zit het precies?

Regel:

Als er verwezen wordt naar een zelfstandig naamwoord waar het bij hoort (het/een boek, het/een paard), dan gebruik je dat.

Wat gebruik je in de volgende gevallen:

  • na een onbepaald woord, zoals iets, niets, alles of enige
  • na een voornaamwoord: dat, datgene
  • na een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord, meestal een overtreffende trap, of na een (rang)telwoord
  • als het terugslaat op een hele zin of een gebeurtenis
  • als datgene waarop wat slaat niet genoemd is

Voorbeelden:

dat of wat

Let op!

Wat gebruik je als het woord verwijst naar een hele zin of een gebeurtenis. Als je in plaats van wat dat gebruikt, krijgt de zin een andere betekenis. Kijk maar eens:

  • We hebben een hondje gekregen, wat we allemaal heel erg leuk vinden.

Betekenis: we vinden het leuk dat we een hondje gekregen hebben.

  • We hebben een hondje gekregen, dat we allemaal heel erg leuk vinden.

Betekenis: we vinden het hondje leuk.

Oefeningen:

Wil je weten of je het verschil tussen wat en dat begrepen hebt? Schrijf dan op welke zin correct geschreven is en welke niet. De antwoorden vind je onderaan in het pdf-bestand.

Het allereerste dat ik doe als ik thuiskom, is mijn schoenen uittrekken.

Het allereerste wat ik doe als ik thuiskom, is mijn schoenen uittrekken.

Dit is het huis dat ik wil kopen.

Dit is het huis wat ik wil kopen.

Er zit een gat in mijn broek dat groter wordt.

Er zit een gat in mijn broek wat groter wordt.

Het is mij een raadsel dat hij bedoelt.

Het is mij een raadsel wat hij bedoelt.

Ze gaf me alles dat ik wilde.

Ze gaf me alles wat ik wilde.

Het meisje dat daar loopt, woont in onze straat.

Het meisje wat daar loopt, woont in onze straat.

Hoe gebruik je irriteren, interesseren en beseffen?

De werkwoorden irriteren, interesseren en beseffen worden vaak als wederkerende werkwoorden gebruikt. Maar dat zijn ze niet!

Wat is een wederkerende werkwoord ook alweer?

Een werkwoord dat samen met zich, me(zelf) of je(zelf) (wederkerende voornaamwoorden) gebruikt wordt. Je zou kunnen zeggen dat het werkwoord terug keert naar de hoofdpersoon.

Bijvoorbeeld:

Zich bemoeien: Jij bemoeit je overal mee.

Zich gedragen: Piet gedraagt zich als een klein kind.

Zich schamen: Je moet je schamen!

Regel:

Maar irriteren, interesseren en beseffen zijn géén wederkerende werkwoorden en kunnen dus níet met zich, me(zelf) of je(zelf) gebruikt worden.

Je kunt je niet aan iets irriteren. Je kunt je aan iets ergeren, of iets kan je irriteren.

Je kunt jezelf niet interesseren. Iets anders kan jou interesseren, of jij kunt iets interessant vinden.

Je kunt jezelf niets beseffen. Je kunt wel iets beseffen, maar dat slaat niet terug op jezelf.

Dus: het irriteert me, het interesseert me en ik besef!

Voorbeelden:

irriteren, interesseren, beseffen

Oefeningen:

Welke zin is goed geschreven? 

Jij irriteert je aan mij.

Jij ergert je aan mij.

Ik besef me dat je druk bent.

Ik besef dat je drukt bent.

Kunst interesseert mij niet zo.

Ik interesseer me niet zo voor kunst.

Ik realiseer me dat je morgen jarig bent.

Ik besef me dat je morgen jarig bent.

Hij irriteert zich aan het lawaai.

Het lawaai irriteert hem.

Ik interesseer me voor hem.

Ik vind hem interessant.

Jou of jouw?

Veel mensen vinden het lastig om te bepalen of je jou of jouw schrijft. Niet heel gek, want de uitspraak is hetzelfde. Maar wanneer schrijf je jouw met een w en wanneer niet?

Regel:

Jouw met een w is een bezittelijk voornaamwoord, het geeft aan dat je de bezitter van iets bent. Jouw hoort altijd bij een ander woord, dat er meteen achter staat en waar jij de eigenaar van bent. Mijn, zijn, haar en ons behoren o.a. tot de bezittelijk voornaamwoorden.

Jou zonder w is een persoonlijk voornaamwoord, een woord waarmee een persoon bedoeld wordt. Het staat los in de zin. Jou schrijf je ook na een voorzetsel. Persoonlijke voornaamwoorden zijn: ik, jij, hij, wij et cetera.

Voorbeelden:

jou of jouw

Tip:

Twijfel je tussen jou en jouw? Vervang de vormen dan door u en uw, bij een zorgvuldige uitspraak hoor je of er een w is of niet. Ben je nog niet helemaal zeker? Gebruik dan hem en zijn, dan weet je zeker of het om een persoonlijk of een bezittelijk voornaamwoord gaat.

Oefeningen:

Heb jij het verschil tussen jou en jouw begrepen? Welke zin is juist? Kijk naar de antwoorden en je weet het zeker.

Wat heb ik jouw lang niet gezien.

Wat heb ik jou lang niet gezien.

Is dit jouw mobiele telefoon?

Is dit jou mobiele telefoon?

Deze mobiele telefoon is van jouw.

Deze mobiele telefoon is van jou.

Ik heb jouw gisteren gebeld.

Ik heb jou gisteren gebeld.

Je bent wel erg snel voor jouw doen.

Je bent wel erg snel voor jou doen.

Ik doe dat voor jouw.

Ik doe dat voor jou.

En dat waren de 6 vragen beantwoord over de meest gemaakte taalfouten. Hopelijk heb je er wat aan gehad

Kijk gauw of je de de oefeningen goed gemaakt hebt.

Download hier de antwoorden

Spelling oefenen

Comment Section

3 reacties op “6 vragen beantwoord over de meest voorkomende taalfouten


Door G.Kilicaslan op 3 mei 2018

Heel duidelijk en supergoed. Bedankt.


Door Peter op 1 mei 2018

Prima uitleg en voorzien van mooie voorbeelden. Echter, om deze onderwerpen goed uit te kunnen leggen, dienen leerlingen eerst veel te weten van woordbenoemen…


Door Beert J. de Nooij op 1 mei 2018

Supergoed en bedankt.

Plaats een reactie


*