Om de tijdsduur te berekenen, trek je de begintijd af van de eindtijd. Begin met de minuten en reken daarna de uren uit. Het helpt om eerst naar een logisch tussenmoment te rekenen, zoals een heel of half uur. Zo blijft de som overzichtelijk. Deze aanpak werkt bij zowel analoge als digitale klokken.
Er is geen ingewikkelde formule nodig. In de basis geldt:
Tijdsduur = eindtijd − begintijd.
Voor kinderen is het fijner om dit stap voor stap te doen: eerst de minuten, daarna de uren. Dat is concreter dan werken met een abstracte formule.
Van 7:45 tot 18:25 duurt 10 uur en 40 minuten.
Je rekent dit in stappen uit:
Samen is dat 10 uur en 40 minuten.
Zet eerst de uren om in minuten (1 uur = 60 minuten) en tel die op bij de overige minuten.
Bijvoorbeeld: 2 uur en 15 minuten = (2 × 60) + 15 = 135 minuten.
Voor veel basisschoolkinderen is rekenen met uren en minuten samen duidelijker dan alles in minuten.
Onze videobijlessen zijn ontwikkeld door onderwijsexperts en sluiten aan bij de lesstof op school. Dat voorkomt verwarring en ‘zo-doet-de-juf-het-niet’-discussies. De uitleg volgt dezelfde stappen die kinderen op school leren.
Veel video’s zijn gratis te bekijken. Bij video’s met ‘Bekijk gratis preview’ zie je een korte versie. De volledige videobijles kun je bestellen via de pagina van de voorbeeldvideo of in onze shop. Je krijgt dan 1 jaar toegang.
De videobijles zorgt voor begrip. Oefenen zorgt dat het blijft hangen. Daarom is het fijn om het bijpassende oefenboek te gebruiken. Zo kan je kind ook offline oefenen met tijdsduur berekenen.
Ja. Je kind bepaalt zelf wanneer en hoe vaak de video wordt bekeken. De lessen zijn 1 jaar beschikbaar en kunnen gepauzeerd of herhaald worden. Dat geeft rust.
In de praktijk betekenen ze hetzelfde: het verschil tussen 2 tijdstippen. Op school en in de video gebruiken we meestal de term ’tijdsduur berekenen’, bijvoorbeeld bij een reis of voorstelling. De aanpak is steeds hetzelfde.
Gebruik dagelijkse momenten.
Vraag hoelang een tv-programma duurt, hoeveel tijd er nog is tot het eten of hoelang een uitje duurde.
Zo wordt tijdsduur berekenen iets wat vanzelf bij het dagelijks leven hoort.
Wil je je kind verder helpen met klokkijken en tijdsduur berekenen? Bekijk dan ook onze video over analoog en digitaal klokkijken of oefen met de video over digitaal klokkijken.
Voor extra oefening en structuur is het Oefenboek Klokkijken Groep 4/5 of het Oefenboek Rekenen met tijd Groep 6/7/8 een fijne aanvulling.
In deze uitleg laten we zien hoe je de tijdsduur tussen 2 tijdstippen berekent. Ook leer je hoe je een eindtijd of begintijd kunt uitrekenen als je weet hoelang iets duurt.
De video hierboven legt dit stap voor stap uit. Met voorbeelden van analoge én digitale klokken.
Na het kijken kan je kind bijvoorbeeld uitrekenen:
Dit soort sommen helpen kinderen om beter te plannen en gevoel te krijgen voor tijd.
Tijdsduur berekenen lijkt vaak ingewikkeld. Maar met een vaste aanpak wordt het overzichtelijk.
De belangrijkste regel is: begin met de minuten en tel daarna de uren erbij op.
Zo voorkom je rekenfouten.
Stel je voor: je gaat naar een voorstelling.
De klok bij de start staat op kwart voor 2 (01:45).
De klok bij het einde staat op half 4 (03:30).
Hoelang duurde de voorstelling?
Stap 1:
Reken van 01:45 naar het eerstvolgende halve uur: 02:30.
Dat is 45 minuten.
Stap 2:
Reken van 02:30 naar 03:30.
Dat is 1 uur.
Stap 3:
Tel alles bij elkaar op:
45 minuten + 1 uur = 1 uur en 45 minuten.
Door eerst naar een logisch tussenmoment te rekenen (een heel of half uur) wordt de som een stuk makkelijker.
Ook bij digitale klokken begin je met de minuten.
Stel: je wordt wakker om 03:15 en je moet opstaan om 06:45.
Hoelang kun je nog blijven liggen?
Stap 1:
Van 03:15 naar 03:45 is 30 minuten.
Stap 2:
Van 03:45 naar 06:45 is 3 uur.
Stap 3:
30 minuten + 3 uur = 3 uur en 30 minuten.
Je kunt dus nog 3 uur en 30 minuten blijven liggen.
Wil je gestructureerd oefenen met klokkijken en rekenen met tijd? Dan is het Oefenboek Klokkijken Groep 4/5 of het Oefenboek Rekenen met tijd Groep 6/7/8 een goede aanvulling.
Soms lukt dat niet meteen.
Bijvoorbeeld: de trein vertrekt om 16:10 en komt aan om 17:35.
Hoelang duurt de reis?
Dan maak je een tussenstap.
Stap 1:
Van 16:10 naar 16:35 is 25 minuten.
Stap 2:
Van 16:35 naar 17:35 is 1 uur.
Stap 3:
25 minuten + 1 uur = 1 uur en 25 minuten.
Zo houd je het overzichtelijk, ook als de minuten niet netjes op elkaar aansluiten.
Soms weet je hoe laat iets begint én hoelang het duurt. Dan wil je weten hoe laat het klaar is.
Bijvoorbeeld:
Je kijkt om 16:15 een film van 2 uur en 15 minuten.
Stap 1:
Tel eerst de minuten erbij op:
16:15 + 15 minuten = 16:30.
Stap 2:
Tel daarna de uren erbij op:
16:30 + 2 uur = 18:30.
De film is dus afgelopen om 18:30.
Dit helpt kinderen om vooruit te plannen.
Je kunt ook terugrekenen.
Bijvoorbeeld:
Het is nu 11:05 en een wedstrijd duurt al 35 minuten.
Hoe laat is die begonnen?
Stap 1:
Trek eerst de minuten af tot een heel uur:
11:05 − 5 minuten = 11:00.
Stap 2:
Trek daarna de overige minuten af:
11:00 − 30 minuten = 10:30.
De wedstrijd begon om 10:30.
Handig bij plannen en terugkijken.
Soms ga je over een heel uur heen.
Bijvoorbeeld van 7:45 tot 8:20.
Stap 1:
Van 7:45 naar 8:00 = 15 minuten.
Stap 2:
Van 8:00 naar 8:20 = 20 minuten.
Stap 3:
15 + 20 = 35 minuten.
Door het uur als tussenstap te gebruiken, blijft het overzichtelijk.