Een lijdend voorwerp is een zinsdeel dat de handeling van het werkwoord ondergaat. Het is datgene waarmee iets wordt gedaan in de zin. Het lijdend voorwerp doet zelf niets, maar er wordt iets mee gedaan. In de zin ‘Patty plukt de bloemen’ is ‘de bloemen’ het lijdend voorwerp, omdat de bloemen worden geplukt.
Je vindt het lijdend voorwerp door de vraag te stellen: “Wie of wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?” Het antwoord op deze vraag is het lijdend voorwerp. Bijvoorbeeld in de zin ‘Hein geeft het potlood aan Nicky’ vraag je: “Wat geeft Hein?” Het antwoord is ‘het potlood’ en dat is dus het lijdend voorwerp.
Voorbeelden van zinnen met een lijdend voorwerp zijn: ‘De bakker bakt brood’ (‘brood’ is het lijdend voorwerp), ‘Zij leest een spannend boek’ (‘een spannend boek’ is het lijdend voorwerp), ‘De hond vangt de bal’ (‘de bal’ is het lijdend voorwerp) en ‘Wij maken onze huiswerkopdrachten’ (onze huiswerkopdrachten is het lijdend voorwerp).
Voor kinderen kun je het lijdend voorwerp uitleggen als het deel van de zin waarmee iets wordt gedaan. Het is het antwoord op de vraag: “Wie of wat wordt er…?” Bijvoorbeeld: ‘Papa wast de auto’. Stel de vraag: “Wat wordt er gewassen?” Het antwoord is ‘de auto’. ‘De auto’ is dus het lijdend voorwerp. Het is het ding dat de handeling ondergaat.
Ja, veel zinnen hebben geen lijdend voorwerp. Bijvoorbeeld: ‘De kinderen spelen buiten’, ‘Hij loopt naar school’ of ‘Wij slapen lang’. Bij deze werkwoorden is er niemand of niets dat de handeling ondergaat. Als je de vraag “Wie of wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?” stelt en geen logisch antwoord krijgt, heeft de zin geen lijdend voorwerp.
Onze videobijlessen zijn ontwikkeld door onderwijsexperts en sluiten volledig aan bij de lesstof op school. Dit betekent geen verwarring en geen ‘zo-doet-de-juf-het-niet’-discussies meer. De uitleg is helder en volgt de aanpak die kinderen gewend zijn op de basisschool.
Veel video’s op onze website zijn volledig gratis te bekijken. Bij video’s met ‘Bekijk gratis preview’ is alleen een korte versie beschikbaar. Wil je toegang tot de volledige videobijles? Dan kun je het bijpassende pakket naar keuze bestellen via de voorbeeldvideo-pagina of in onze shop.
De videobijles helpt je kind om de stof goed te begrijpen, maar oefenen is net zo belangrijk. Daarom raden we aan om het bijpassende oefenboek erbij te bestellen. Hiermee kan je kind niet alleen online oefenen met de videolessen, maar ook offline aan de slag om het geleerde toe te passen.
Het lijdend voorwerp is een zinsdeel dat iets ondergaat in de zin. De naam zegt het eigenlijk al: het ‘lijdt’ onder de handeling van het werkwoord. Er wordt iets mee gedaan, maar het doet zelf niets. In de video van Wijzer over de basisschool leer je stap voor stap hoe je het lijdend voorwerp kunt herkennen. Als je naar het woord ‘lijdend’ kijkt, zie je de lange ‘ij’. Iets wat lijdend is, ondergaat een handeling. Simpel gezegd: het lijdend voorwerp is datgene waarmee iets wordt gedaan in de zin.
De snelste manier om het lijdend voorwerp te vinden is door een speciale vraag te stellen. Deze vraag bestaat uit 3 delen:
Wie of wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?
Bijvoorbeeld in de zin: ‘Patty plukt de bloemen.’ Stel de vraag: “Wat plukt Patty?” Het antwoord is ‘de bloemen’. Dit is het lijdend voorwerp. Met de bloemen wordt iets gedaan, ze worden geplukt.
Nog een voorbeeld: Hein geeft het potlood aan Nicky. Stel de vraag: “Wat geeft Hein?” Het antwoord is ‘het potlood’. Dit is het lijdend voorwerp.
Om deze vraag goed te kunnen stellen, moet je wel eerst weten wat het werkwoordelijk gezegde en het onderwerp in de zin zijn. Vind je dat nog lastig? Bekijk dan ook onze video over het werkwoordelijk gezegde en onderwerp in een zin.
Laten we nog wat meer voorbeelden bekijken om het lijdend voorwerp goed te begrijpen:
In de video wordt het lijdend voorwerp met een groene kleur aangegeven. Dit helpt je om het zinsdeel snel te herkennen en te onthouden.
Niet elke zin heeft een lijdend voorwerp. Soms is het er gewoon niet. Dit komt vooral voor bij werkwoorden die geen handeling uitdrukken waarbij iets of iemand iets ondergaat.
Bijvoorbeeld: ‘De koeien staan in de stal.’ Als je vraagt: “Wat staan de koeien?” krijg je geen logisch antwoord. ‘In de stal’ is geen lijdend voorwerp maar een bijwoordelijke bepaling van plaats, omdat het antwoord geeft op de vraag ‘waar?’. Gebruik altijd de juiste vraag (wie of wat + gezegde + onderwerp) en controleer of het antwoord logisch is. Is er geen logisch antwoord op deze vraag, dan is er geen lijdend voorwerp in de zin.
Er zijn enkele belangrijke regels die je moet onthouden over het lijdend voorwerp:
Bijvoorbeeld: ‘De koeien staan in de stal.’ → ‘in’ is een voorzetsel, dus ‘in de stal’ kan geen lijdend voorwerp zijn.
Het lijdend voorwerp wordt soms verward met andere zinsdelen, vooral met het meewerkend voorwerp. Het verschil zit in de vraag die je stelt:
– Voor het lijdend voorwerp vraag je: “Wie of wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?”
– Voor het meewerkend voorwerp vraag je: “Aan/voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?”
Bijvoorbeeld: ‘Hein geeft het potlood aan Nicky.’
Ook de bijwoordelijke bepaling is anders. Die geeft antwoord op vragen als waar, wanneer, hoe of waarom iets gebeurt.
Wil je dat je kind het lijdend voorwerp goed leert herkennen? Oefening baart kunst! Je kunt samen zinnen bedenken en vragen stellen om het lijdend voorwerp te vinden. Begin met eenvoudige zinnen en maak ze geleidelijk moeilijker.
Wil je kind nog meer oefenen? Bekijk dan het oefenpakket met videobijles en/of het oefenboek van Wijzer over de basisschool.