Je kunt zeggen dat het 2 manieren zijn om hetzelfde te laten zien. Een breuk laat zien welk deel van een geheel iets is. Een percentage laat dat deel zien per 100.
Je kunt dit laten zien met een strook die je in stukken knipt, een cirkel die je in taartpunten verdeelt of een honderdveld. Zo ziet je kind dat 1/4 hetzelfde is als 25 van de 100 hokjes, oftewel 25%.
Dat verschilt per kind. Sommige kinderen leren vooral door te tekenen. Dan werkt de tekenmethode goed. Je verdeelt een strook of cirkel dan in stukken. Andere kinderen vinden hoofdrekenen fijner. Dan is de deelsom- of vermenigvuldigmethode vaak makkelijker. Het belangrijkste is dat je kind snapt wat procenten eigenlijk betekenen.
Wijs je kind op voorbeelden in het dagelijks leven, zoals:
Bij een korting van 25% kun je vragen: “Welk deel van de prijs is dat?” (1/4)
En bij een recept: “Als je 0,5 liter melk nodig hebt, hoeveel procent is dat van een literpak?” (50%)
Dat is heel normaal. Breuken die niet netjes in 100 passen, zijn gewoon lastiger.
Leg uit dat je dan een afgerond antwoord gebruikt.
100 : 3 = 33 rest 1, dus dat is 33⅓%.
In de praktijk ronden we dit vaak af naar 33,3% of 0,33.
Je kunt ook een rekenmachine gebruiken om te laten zien dat 1 : 3 = 0,333… met oneindig veel drieën.
Onze videobijlessen zijn ontwikkeld door onderwijsexperts en sluiten aan bij de lesstof op school. Geen verwarring. Geen ‘zo-doet-de-juf-het-niet’-discussies meer. De uitleg is helder en volgt de aanpak die kinderen gewend zijn. De 3 methodes die we laten zien, worden ook op school gebruikt.
Veel video’s op onze website zijn gratis te bekijken. Bij sommige video’s is alleen een korte versie beschikbaar. Wil je toegang tot de volledige videobijles? Dan kun je het bijpassende pakket bestellen via de pagina met voorbeeldvideo’s of in onze shop. Je krijgt dan toegang tot alle uitleg en oefeningen.
De videobijles helpt je kind om de stof te begrijpen. Oefenen is daarna echt belangrijk. Daarom is het handig om het bijpassende oefenboek erbij te hebben. Dan kan je kind online én offline oefenen. Vooral bij breuken en procenten is veel oefening nodig om het echt goed te begrijpen.
Ja! Je kind kan zelf bepalen wanneer en hoe vaak hij of zij de videobijles kijkt. De lessen zijn 1 jaar beschikbaar en kunnen gepauzeerd en herhaald worden. Dat is fijn bij onderwerpen zoals breuken en procenten, waar sommige kinderen wat meer tijd nodig hebben.
Je betaalt eenmalig voor het pakket met videobijles en krijgt toegang voor 1 jaar. Er is geen abonnement en geen gedoe met opzeggen. Na een jaar vervalt de toegang automatisch, tenzij je verlengt.
Ja. Deze video legt uit hoe je breuken omrekent naar procenten. De andere video legt precies het omgekeerde uit: hoe je procenten omrekent naar breuken.
Als je kind beide richtingen wil leren, is het handig om beide video’s te bekijken. Ze vullen elkaar mooi aan.
Het omrekenen van breuken naar procenten klinkt vaak ingewikkelder dan het is. Als je het stap voor stap bekijkt, wordt het ineens een stuk duidelijker.
In dit artikel leggen we 3 manieren uit om breuken om te rekenen naar procenten. Je ziet ook hoe je bij elke breuk het bijbehorende kommagetal vindt. Dat is handig, want dit komt veel terug in de bovenbouw van de basisschool.
De video hierboven laat stap voor stap zien hoe het werkt.
Procent is eigenlijk een heel simpel woord als je het uit elkaar haalt.
Procent betekent dus: van de 100.
Dat is ook waarom 1% hetzelfde is als 1/100 (1 honderdste). En als kommagetal is dat 0,01.
Als je dit snapt, wordt het omrekenen ineens veel logischer.
Wil je je kind stap voor stap laten oefenen met procenten? Dan is de Spoedcursus Procenten en kommagetallen Groep 7/8 een mooie aanvulling.
In de video zie je 3 manieren. Je kind mag zelf kiezen welke het fijnst voelt.
Je tekent een strook of cirkel en verdeelt die in evenveel stukken als de noemer.
Bij ¼ verdeel je de strook in 4 gelijke stukken.
De hele strook is 100%, dus elk stukje is 25%.
Deze methode helpt vooral kinderen die beeldend leren.
Je deelt 100 door de noemer.
Voor ¼ is dat: 100 : 4 = 25.
Dan vermenigvuldig je met de teller: 25 × 1 = 25%.
Dit werkt goed als je kind handig is met hoofdrekenen.
Je vermenigvuldigt de teller met 100 en deelt dat door de noemer.
Voor ¼ is dat: (1 × 100) : 4 = 25%.
Soms helpt het om dit te zien als een breuk:
¼ × 100/1 = 100/4 = 25%.
Hieronder staan voorbeelden die in de video ook voorbij komen.
Je kunt dit samen met je kind rustig oefenen.
Sommige breuken passen niet netjes in 100. Bijvoorbeeld 1/3.
Bij 1/3 deel je 100 door 3. Dat is 33 rest 1.
Die rest is 1/3, dus het totaal is 33⅓%.
Als kommagetal ronden we dit meestal af naar 0,33.
In werkelijkheid is het 0,333… met oneindig veel drieën.
Bij breuken zoals 3/20 of 6/25 kun je eerst uitrekenen wat 1/20 of 1/25 is.
Net als bij tafels is het handig om een aantal breuken uit je hoofd te kennen.
Die komen vaak terug in sommen en in het dagelijks leven.
Bij elke breuk en elk percentage hoort ook een kommagetal. Als je kind dit begrijpt, wordt het rekenen met verhoudingen en geld makkelijker.
Bijvoorbeeld:
1/4 = 25% = 0,25
1/10 = 10% = 0,1
In het dagelijks leven komen deze getallen vaak terug. Denk aan:
De video geeft ook voorbeelden die je kind laten zien wanneer deze getallen gebruikt worden:
Zo wordt droge theorie iets wat je tegenkomt in het echt. Je kind gaat snappen waarom het handig is als je breuken, procenten en kommagetallen kunt omrekenen.
Oefenen is echt belangrijk. Zo gaat je kind begrijpen hoe het werkt. Het omrekenen van breuken naar procenten en kommagetallen wordt dan steeds makkelijker.
Begin met simpele breuken zoals 1/2 en 1/4.
Als dat goed gaat, kun je verder met 3/20 of 6/25.
Een simpele oefening: vraag je kind welk percentage bij een breuk hoort, en andersom.
Als je merkt dat je kind extra oefenen met procenten fijn vindt, dan is de Spoedcursus Procenten en kommagetallen Groep 7/8 een mooie aanvulling.