

Er zijn verschillende soorten verwijswoorden: persoonlijke voornaamwoorden (ik, jij, hij, zij, het, wij, jullie, zij, me, mij, jou, hem, haar, ons, hen, hun), bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw, zijn, haar, ons, jullie, hun), aanwijzende voornaamwoorden (die, dat, dit, deze) en bijwoorden van plaats en tijd (hier, daar, toen). Al deze woorden kunnen verwijzen naar personen, objecten, groepen woorden of hele situaties in een tekst.
Begrijpend lezen kun je oefenen door regelmatig verschillende soorten teksten te lezen en vragen te stellen over de inhoud. Let specifiek op verwijswoorden en waar ze naar verwijzen. Maak er een gewoonte van om na elke alinea even te pauzeren en na te denken over wat je hebt gelezen. Stel vragen als: “Waar gaat dit over?”, “Wie is dit?” of “Wat wordt hiermee bedoeld?” Gebruik ook oefenmateriaal dat specifiek gericht is op begrijpend lezen.
Begrijpend lezen is meer dan alleen woorden en zinnen technisch kunnen lezen. Het gaat erom dat je begrijpt wat de tekst wil zeggen. Dit omvat het herkennen van hoofdgedachten, het volgen van de structuur van de tekst, het begrijpen van verwijswoorden, het leggen van verbanden tussen tekstdelen en het kunnen samenvatten. Bij begrijpend lezen lees je actief en stel je jezelf voortdurend vragen over wat je leest.
In het basisonderwijs zijn zowel rekenen als begrijpend lezen kernvakken die allebei belangrijk zijn voor de ontwikkeling van je kind. Voor de doorstroomtoets (voorheen Cito-toets) tellen beide onderdelen even zwaar. Goed kunnen lezen is echter essentieel voor alle schoolvakken, inclusief rekenen, omdat je de opgaven moet kunnen begrijpen. Daarom is het belangrijk om aan beide vaardigheden voldoende aandacht te besteden.
Je kind kan moeite hebben met verwijswoorden als het vaak vragen stelt als “Wie is dat?”, “Waar gaat dit over?” of als het de draad van een verhaal kwijt raakt. Ook als je kind bij het maken van opdrachten voor begrijpend lezen vaak vragen fout heeft waarbij het gaat om wie wat deed, kan dit duiden op problemen met verwijswoorden. Let ook op of je kind moeite heeft om teksten in eigen woorden na te vertellen.
Onze videobijlessen zijn ontwikkeld door onderwijsexperts en sluiten volledig aan bij de lesstof op school. Dit betekent geen verwarring en geen ‘zo-doet-de-juf-het-niet’-discussies meer. De uitleg is helder en volgt de aanpak die kinderen gewend zijn. De uitleg over verwijswoorden in deze video sluit aan bij de methodes die op de basisschool worden gebruikt bij begrijpend lezen.
Ja! Je kind kan zelf bepalen wanneer en hoe vaak hij of zij een videobijles bekijkt. De lessen zijn gedurende een jaar onbeperkt beschikbaar en kunnen op elk moment gepauzeerd of herhaald worden. Zo kan je kind leren op zijn eigen tempo. Dit is vooral handig bij onderwerpen zoals verwijswoorden, waarbij soms meerdere herhalingen nodig zijn om de stof goed te begrijpen.
De toegang tot de videobijles geldt voor 1 jaar. De lessen zijn gedurende die periode onbeperkt beschikbaar en kunnen op elk moment gepauzeerd of herhaald worden. Na een jaar stopt de toegang automatisch, er vindt geen verlenging plaats.
De videobijles helpt je kind om de stof goed te begrijpen, maar oefenen is net zo belangrijk. Daarom raden we aan om het bijpassende oefenboek erbij te bestellen. Hiermee kan je kind niet alleen online oefenen met de videolessen, maar ook offline aan de slag om het geleerde toe te passen. Bij verwijswoorden is het extra belangrijk om veel te oefenen met verschillende soorten teksten.
Verwijswoorden zijn woorden die terugwijzen naar iets wat eerder in een tekst staat of vooruitwijzen naar iets wat later komt. Deze woorden zijn essentieel bij begrijpend lezen omdat ze de samenhang in een tekst verduidelijken en voorkomen dat dezelfde woorden steeds herhaald worden.
Een verwijswoord kan verwijzen naar een persoon, voorwerp, groep woorden of zelfs een hele gebeurtenis. Voor kinderen op de basisschool zijn verwijswoorden soms lastig te herkennen, terwijl ze juist belangrijk zijn om een tekst goed te begrijpen.
In de video van Wijzer over de Basisschool leer je stap voor stap hoe je verwijswoorden herkent en waar ze naar verwijzen. Dit helpt je om je kind beter te ondersteunen bij begrijpend lezen.
Er bestaan veel verschillende verwijswoorden die in teksten voorkomen. De belangrijkste categorieën zijn:
Verwijswoorden kunnen terugverwijzen naar woorden die eerder in de tekst staan, maar soms ook vooruit verwijzen naar woorden die pas later in de tekst komen. Daarom is het belangrijk om tijdens het lezen aandacht te besteden aan waar een verwijswoord precies naar verwijst.
Een tekst zonder verwijswoorden zou erg saai en onnatuurlijk klinken. In de video wordt dit duidelijk gemaakt met een voorbeeld over Jop. Zonder verwijswoorden leest de tekst als volgt:
“Er is een virus uitgebroken. Om niemand te kunnen besmetten is de school dicht. Jop kan niet naar school. Jop vindt het natuurlijk niet leuk dat er mensen ziek kunnen worden, maar thuisblijven van school ziet Jop wel zitten! Jop rent enthousiast naar Jops kamer. Daar bedenkt Jop wat Jop kan doen met al die vrije tijd.”
Door verwijswoorden te gebruiken, wordt dezelfde tekst veel prettiger om te lezen:
“Er is een virus uitgebroken. Om niemand te kunnen besmetten is de school dicht. Jop kan niet naar school. Hij vindt het natuurlijk niet leuk dat er mensen ziek kunnen worden, maar thuisblijven van school ziet hij wel zitten! Hij rent enthousiast naar zijn kamer. Daar bedenkt hij wat hij kan doen met al die vrije tijd.”
Verwijswoorden zorgen dus voor:
Om te begrijpen waar een verwijswoord naar verwijst, kun je jezelf een vraag stellen. Bij persoonlijke voornaamwoorden zoals ‘hij’, ‘zij’ of ‘hen’ stel je de vraag: “Wie?”. Bij bijwoorden zoals ‘daar’ of ’toen’ vraag je: “Waar?” of “Wanneer?”.
Vervolgens moet je op zoek gaan naar het antwoord door terug of vooruit te lezen in de tekst. Dit vraagt om actief lezen en is een belangrijke vaardigheid bij begrijpend lezen.
In de video worden verschillende voorbeelden gegeven hoe je kunt achterhalen waar een verwijswoord naar verwijst:
“Quinn doet een broodtrommel open. Hij ziet een broodje met kaas.”
In deze zinnen verwijst het woord ‘hij’ naar Quinn. Door terug te lezen naar de vorige zin, vind je het antwoord op de vraag: “Wie ziet een broodje met kaas?”
“De volgende ochtend staat haar moeder om 7 uur naast haar bed. “Vera, je moet opstaan!”
In deze zin verwijst ‘haar’ (in ‘haar moeder’ en ‘haar bed’) naar Vera. Hier moet je juist vooruitkijken in de tekst om te ontdekken wie die ‘haar’ is.
“Aan tafel zitten Samira’s vader en moeder. Voor hen ligt een lijstje.”
Het woord ‘hen’ verwijst hier naar een groep: “Samira’s vader en moeder”. Door de vraag “Wie zijn hen?” te stellen en terug te lezen, vind je het antwoord.
“Voor vandaag staat het volgende op de planning: hond uitlaten, afwas doen en je kamer opruimen. Daar heeft Jasper helemaal geen zin in.”
Het woord ‘daar’ verwijst hier naar de hele opsomming van klusjes. Door de vraag “Waar heeft Jasper geen zin in?” te stellen, wordt duidelijk dat het gaat om alles wat op de planning staat.
Het herkennen van verwijswoorden en begrijpen waar ze naar verwijzen, is een belangrijke vaardigheid voor begrijpend lezen. Hier zijn enkele tips om je kind hierbij te helpen:
Door regelmatig met deze oefeningen bezig te zijn, zal je kind steeds beter worden in het herkennen en begrijpen van verwijswoorden, wat leidt tot een betere leesvaardigheid.
Als je meer wil weten over andere aspecten van begrijpend lezen, zoals de hoofdgedachte van een tekst vinden of signaalwoorden herkennen, bekijk dan ook onze andere video’s.