Om de bijwoordelijke bepaling te vinden, stel je vragen bij het gezegde zoals: waar, wanneer of waarheen gebeurt iets? Ontleed eerst de andere zinsdelen (persoonsvorm, gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp). Wat overblijft, is vaak een bijwoordelijke bepaling. Je kunt ook controleren of je het zinsdeel kunt weglaten zonder dat de zin onlogisch wordt.
Bij een bijwoordelijke bepaling (bwb) stel je vragen als: waar, wanneer, waarheen, waarom, hoe of waarvoor? De meest voorkomende zijn de eerste drie: waar (plaats), wanneer (tijd) en waarheen (richting). Het antwoord op deze vragen vormt de bijwoordelijke bepaling in de zin.
Voor kinderen kun je een bijwoordelijke bepaling uitleggen als het deel van de zin dat vertelt waar, wanneer of waarheen iets gebeurt. Vergelijk het met extra informatie die een zin compleet maakt. Je kunt het vergelijken met de antwoorden op de w-vragen in een nieuwsbericht: waar, wanneer en waarheen iets gebeurt.
De meest voorkomende bijwoordelijke bepalingen zijn die van plaats (waar?), tijd (wanneer?) en richting (waarheen?). Daarnaast zijn er ook bijwoordelijke bepalingen van reden (waarom?), manier (hoe?) en doel (waarvoor?). In het basisonderwijs ligt de nadruk vooral op de eerste drie soorten.
Onze videobijlessen zijn ontwikkeld door onderwijsexperts en sluiten volledig aan bij de lesstof op school. Dit betekent geen verwarring en geen ‘zo-doet-de-juf-het-niet’-discussies meer. De uitleg is helder en volgt de aanpak die kinderen gewend zijn in de klas.
Veel video’s op onze website zijn volledig gratis te bekijken. Bij video’s met ‘Bekijk gratis preview’ is alleen een korte versie beschikbaar. Wil je toegang tot de volledige videobijles? Dan kun je het bijpassende pakket naar keuze bestellen via de voorbeeldvideo-pagina of in onze shop.
De videobijles helpt je kind om de stof goed te begrijpen, maar oefenen is net zo belangrijk. Daarom raden we aan om het bijpassende oefenboek erbij te bestellen. Hiermee kan je kind niet alleen online oefenen met de videolessen, maar ook offline aan de slag om het geleerde toe te passen.
Ja, kinderen verwarren de bijwoordelijke bepaling soms met het lijdend voorwerp of het meewerkend voorwerp. Het verschil zit in de vragen die je stelt: bij een bijwoordelijke bepaling vraag je naar waar, wanneer of waarheen, terwijl je bij een lijdend voorwerp vraagt naar wat of wie, en bij een meewerkend voorwerp naar aan/voor wie.
Een bijwoordelijke bepaling geeft extra informatie over wat er in de zin gebeurt. Vaak gaat het om plaats, tijd, richting of een andere extra uitleg. In de video hierboven leer je stap voor stap hoe je bijwoordelijke bepalingen herkent, met duidelijke voorbeelden en kleurcodering. De bijwoordelijke bepaling is een belangrijk onderdeel van het ontleden van zinnen. Je kind leert dit meestal in groep 7 en 8 van de basisschool, waar het een vast onderdeel is van het redekundig ontleden.
Om een bijwoordelijke bepaling te herkennen, stel je een van deze vragen bij het gezegde:
Als het antwoord op een van deze vragen in de zin staat, heb je een bijwoordelijke bepaling gevonden. In de video wordt dit duidelijk gemaakt door de bijwoordelijke bepaling roze te kleuren, zodat je kind direct ziet waar het om gaat. Dat zie je bijvoorbeeld in de zin: ‘De jas hangt aan de kapstok.’ Als je vraagt: “Waar hangt de jas?”, is het antwoord ‘aan de kapstok’. Dit is dus een bijwoordelijke bepaling van plaats.
Laat je kind oefenen met deze duidelijke voorbeelden van bijwoordelijke bepalingen:
Tijd (wanneer?):
Plaats (waar?):
Richting (waarheen?):
De bijwoordelijke bepaling is vaak het laatste zinsdeel dat je vindt bij het ontleden. Dit komt doordat je eerst andere zinsdelen bepaalt, zoals:
Wat daarna overblijft, is vaak een bijwoordelijke bepaling. Een handige tip: een bijwoordelijke bepaling kun je meestal weglaten zonder dat de zin onlogisch wordt. De kernboodschap van de zin blijft intact, maar je verliest wel informatie over waar, wanneer of waarheen iets gebeurt.
Bijvoorbeeld: ‘Jackie haalt een voldoende.’ Deze zin is nog steeds logisch, maar we weten nu niet meer wanneer dit gebeurt.
Er kunnen meerdere bijwoordelijke bepalingen in een zin staan. Dit maakt de video extra waardevol, omdat je kind leert hoe je deze allemaal kunt herkennen. Bijvoorbeeld:
‘Ik zet nu deze plant op het bureau.’
Door te oefenen met verschillende soorten zinnen, leert je kind steeds beter om alle bijwoordelijke bepalingen te herkennen.
Een bijwoordelijke bepaling kan bestaan uit een woord of uit meerdere woorden. Als de bijwoordelijke bepaling uit een woord bestaat, is dit vaak een bijwoord. Voorbeelden zijn:
Het verschil is dat een bijwoord een woordsoort is (zoals een werkwoord of zelfstandig naamwoord), terwijl een bijwoordelijke bepaling een zinsdeel is. Een bijwoordelijke bepaling kan dus uit meerdere woorden bestaan, zoals ‘op het bureau’ of ‘naar zijn beste vriend’.
Naast plaats, tijd en richting zijn er nog andere soorten bijwoordelijke bepalingen. Deze komen minder vaak voor, maar zijn wel belangrijk om te kennen:
Reden (waarom?):
Manier (hoe?):
Doel (waarvoor?):
Door deze verschillende soorten bijwoordelijke bepalingen te herkennen, krijgt je kind een completer beeld van hoe zinnen zijn opgebouwd.
Wil je dat je kind meer oefent met bijwoordelijke bepalingen? Wijzer over de Basisschool biedt verschillende materialen om hiermee aan de slag te gaan:
Een praktische oefentip: laat je kind in een tekst of boek alle bijwoordelijke bepalingen onderstrepen met een roze kleur of markeerstift. Dit maakt het leuker én het helpt om het patroon te herkennen.
Wil je deze kennis in de praktijk zien? Bekijk dan de volledige video hierboven voor meer voorbeelden en uitleg. Zo help je je kind stap voor stap met het herkennen van bijwoordelijke bepalingen in elke zin!